ECLI:NL:HR:1997:AA3219

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30193L
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
  • Meij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Zesde richtlijnArt. 4 lid 2 Zesde richtlijnArt. 7 leden 1 en 2 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen ondernemerschap bij enkel bezit van obligaties voor omzetbelasting

De commanditaire vennootschap X te Z stelde zich in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een naheffingsaanslag omzetbelasting voor de periode van 1 januari 1987 tot en met 1 maart 1991.

De Hoge Raad verwees eerder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat op 6 februari 1997 oordeelde dat het enkel in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan andere ondernemingsactiviteiten, en het genieten van inkomsten daaruit, niet kwalificeert als economische activiteit die belastingplicht oplevert.

Op basis van deze prejudiciële uitspraak verwierp de Hoge Raad de middelen van cassatie die stelden dat het verwerven en houden van obligaties wel een economische activiteit of kredietverstrekking zou zijn. De vennootschap was derhalve geen ondernemer in de zin van de omzetbelastingwetgeving en kon geen aanspraak maken op teruggaaf van omzetbelasting.

De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en bevestigde het arrest van het Gerechtshof, waarbij het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het enkel houden van obligaties geen ondernemerschap en belastingplicht voor de omzetbelasting oplevert.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de commanditaire vennootschap X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 maart 1994 betreffende de haar over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 1 maart 1991 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Loop van het geding Voor een overzicht van de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 15 maart 1995, BNB 1996/243, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële uitspraak te doen over in dat arrest geformuleerde vragen. Bij arrest van 6 februari 1997 heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen voor recht verklaard: 'Artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.'
2. Nadere beoordeling van de middelen van cassatie Voorzover de middelen zich keren tegen ‘s Hofs oordeel dat het enkele verwerven en het enkele houden van obligaties niet is aan te merken als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde Richtlijn en dat met name evenbedoelde activiteit niet is aan te merken als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, falen zij gezien de hiervóór onder 1 weergegeven verklaring voor recht. Op dezelfde grond kunnen de middelen voorzover zij zich richten tegen 's Hofs oordeel dat het verwerven van obligaties naar maatschappelijke opvattingen niet kan worden aangemerkt als het verstrekken van krediet, evenmin tot cassatie leiden. Het vorenoverwogene brengt mee dat, anders dan de middelen stellen, belanghebbende in de onderwerpelijke periode op grond van het geheel van haar activiteiten niet is aan te merken als belastingplichtige in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde Richtlijn of als ondernemer in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Aan de omstandigheid dat belanghebbende vóór en na het naheffingstijdvak een rentedragende vordering bezat, kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat zij gedurende het naheffingstijdvak ondernemer was. Zij kan derhalve geen aanspraak maken op teruggaaf van de haar in rekening gebrachte omzetbelasting.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 juli 1997 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Meij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.