Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1997:AA3225

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32388
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1992 na vergissing in gegevens

Belanghebbende kreeg aanvankelijk een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor 1992 op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 54.608,--. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 87.564,--, gebaseerd op de juiste gegevens voor 1992. De Inspecteur handhaafde deze aanslag na bezwaar, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof bevestigde de navorderingsaanslag en oordeelde dat de verwisseling van gegevens over 1991 en 1992 een vergissing was die aan belanghebbende kenbaar was.

In cassatie richtte belanghebbende zich tegen het oordeel dat deze vergissing kenbaar was. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel moet worden begrepen dat belanghebbende of haar gemachtigde redelijkerwijs had moeten begrijpen dat een vergissing was gemaakt. Dit oordeel was niet onjuist of onbegrijpelijk en de klachten faalden. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 mei 1996 betreffende na te melden aan haar over het jaar 1992 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 54.608,--. Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 87.564,--. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Enige tijd na het tussen belanghebbende en de Inspecteur gevoerde overleg over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 is aan belanghebbende de aanslag 1992 opgelegd, waarbij abusievelijk gebruik is gemaakt van de gegevens voor het jaar 1991. De navorderingsaanslag 1992 waarom het in deze zaak gaat is opgelegd aan de hand van de in belanghebbendes aangifte opgenomen gegevens voor het jaar 1992. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur tot navordering bevoegd was, nu de verwisseling van gegevens over de jaren 1991 en 1992 berustte op een met een schrijf- of typefout gelijk te stellen vergissing, welke aan belanghebbende kenbaar was. 3.3. De klachten zijn gericht tegen 's Hofs oordeel dat deze vergissing aan belanghebbende kenbaar was. Dit oordeel moet klaarblijkelijk aldus worden verstaan dat, gelet op de bij belanghebbendes gemachtigde te veronderstellen kennis, belanghebbende, althans haar gemachtigde, redelijkerwijs had moeten begrijpen dat een met een schrijf- of typefout vergelijkbare vergissing was gemaakt. Aldus verstaan geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan belanghebbende verdedigt is te dezen niet van belang of kenbaar was waarop die vergissing berustte. Voor het overige kan het bestreden oordeel als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De klachten falen derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 7 mei 1997 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.