ECLI:NL:HR:1997:AA3235

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32080
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering pachtovereenkomst bij successieaanslag nalatenschap

In deze zaak gaat het om een geschil over de hoogte van de successieaanslagen die zijn opgelegd aan de erven van een overleden erflaatster. De aanslagen betreffen verkrijgingen uit de nalatenschap, waarbij onder meer een landbouwbedrijf en een boerderij met grond betrokken zijn. De zoon van de erflaatster, die haar om het leven bracht en ter beschikking is gesteld, was mede-erfgenaam.

De nalatenschap omvatte onder andere een pachtovereenkomst met een jaarlijkse pachtsom van ƒ 8.500. Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat het waardedrukkende effect van de pachtovereenkomst niet hoger is dan deze pachtsom, omdat op korte termijn voorzienbaar was dat de pachtovereenkomst zou eindigen. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij werd benadrukt dat het Hof de feitelijke omstandigheden naar behoren heeft gewogen en dat er geen onjuiste rechtsopvatting aan ten grondslag lag.

Het cassatieberoep van de erven werd verworpen. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 5 februari 1997 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof over de waardering van de pachtovereenkomst bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X, de erven A te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 januari 1996 betreffende de aan hen opgelegde aanslagen in het recht van successie terzake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van erflaatster, overleden op 14 maart 1991.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden zijn ter zake van hun verkrijgingen uit voormelde nalatenschap aanslagen in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 455.226,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn verminderd tot aanslagen naar een verkrijging van ƒ 453.101,--. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de aanslag opgelegd aan B en heeft de aanslagen, opgelegd aan de overige belanghebbenden, verminderd tot aanslagen naar een verkrijging van ƒ 442.220,--. 2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Erflaatster is door haar zoon, die in de periode van 1978 tot 1991 meermalen opgenomen is geweest in verband met een psychose, om het leven gebracht. Erfgenamen zijn genoemde zoon en drie dochters. De goederen van de zoon zijn na het overlijden van erflaatster onder bewind gesteld. Hij is ter zake van het door hem begane misdrijf ontslagen van rechtsvervolging en ter beschikking gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Erflaatster oefende tot haar overlijden met haar zoon in maatschapsverband een landbouwbedrijf uit. Zij had het gebruik en genot van de haar toebehorende boerderij met bijbehorende grond ingebracht. Daarnaast gold tussen erflaatster en haar zoon een pachtovereenkomst. De pachtsom bedroeg ƒ 8.500,-- per jaar. In de maatschapsovereenkomst was een voortzettingsbeding opgenomen. Erflaatster had aan haar zoon de boerderij met de gronden gelegateerd tegen inbreng van de waarde daarvan. De zoon heeft geen gebruik gemaakt van het voortzettingsbeding en heeft het legaat niet aanvaard. Het landbouwbedrijf is aanvankelijk voor rekening van de gezamenlijke erven voortgezet. In mei 1992 is de boerderij met grond "vrij te aanvaarden" geveild. De zoon heeft tegen een vergoeding van ƒ 8.500,-- afgezien van het hem als pachter toekomende voorkeursrecht. 3.2. Het Hof heeft op de in rechtsoverweging 5.2 van zijn uitspraak vermelde gronden, welke tezamen genomen aldus moeten worden begrepen dat ten tijde van het overlijden van erflaatster te voorzien was dat de pachtovereenkomst op korte termijn zou worden beëindigd, geoordeeld dat het waardedrukkende effect dat van het verpacht zijn van de onroerende zaken uitgaat niet hoger is dan ƒ 8.500,--. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feitelijke omstandigheden en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De tegen dit oordeel gerichte middelen falen derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet adminstratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 5 februari 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma en op die datum in het openbaar uitgesproken.