ECLI:NL:HR:1997:AA3255
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat afstempeling aandelen niet leidt tot verlies uit aanmerkelijk belang
Belanghebbende bezat aandelen in een B.V. die in 1986 werden afgestempeld tot 40% van de nominale waarde en in 1988 failliet gingen. In 1991 verkocht belanghebbende deze aandelen voor ƒ 1,--, terwijl hij stelde dat de overdrachtsprijs op ƒ 235.160,-- moest worden gesteld, wat een verlies uit aanmerkelijk belang zou betekenen.
De Inspecteur stelde echter dat de overdrachtsprijs de oorspronkelijke nominale waarde van ƒ 587.900,-- betrof, zonder rekening te houden met de afstempeling. Het Hof oordeelde dat de afstempeling wel in aanmerking moest worden genomen en stelde de overdrachtsprijs dienovereenkomstig lager vast.
De Hoge Raad vernietigde het deel van het vonnis dat betrekking had op de proceskosten en verwierp het cassatieberoep voor het overige, waarbij werd bevestigd dat een afstempeling zonder uitkering aan de aandeelhouder geen invloed heeft op de verkrijgingsprijs van aandelen. Tevens werd de proceskostenvergoeding aangepast in het voordeel van belanghebbende.
De uitspraak bevestigt dat het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal in de zin van artikel 39 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet door afstempeling wordt verminderd, tenzij sprake is van een daadwerkelijke teruggaaf aan de aandeelhouder.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en bevestigd dat afstempeling zonder uitkering niet leidt tot verlaging van de verkrijgingsprijs van aandelen.