ECLI:NL:HR:1997:AA3316
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag inkomstenbelasting na aankoop vordering en waardebepaling
Belanghebbende en zijn broer hielden ieder 50% van de aandelen in een BV die een aanzienlijke vordering had op een derde partij, D AG uit Zwitserland. In 1988 kochten zij deze resterende vordering gezamenlijk voor ƒ 2.000.000,--, gefinancierd met leningen en zekerheden. De BV loste vervolgens in de jaren daarna een deel van de vordering af en gaf nieuwe aandelen uit aan belanghebbende en zijn broer.
De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op gebaseerd op een belastbaar inkomen van ƒ 1.721.600,--, welke na bezwaar gehandhaafd bleef. Het Hof vernietigde deze aanslag en stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 871.600,--. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris gingen in cassatie tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat de koopprijs van de vordering zakelijk was tot stand gekomen tussen onafhankelijke partijen en gelijk is aan de waarde in het economische verkeer. Hierdoor kon de hogere waardering van de vordering door het Hof niet worden gehandhaafd. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de aanslag van de Inspecteur en stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 121.600,--.
Daarnaast werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende in cassatie. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 22 oktober 1997.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de aanslag inkomstenbelasting 1988 tot een belastbaar inkomen van ƒ 121.600,--.