Uitspraak
17 januari 1997.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst. De werknemer werd ontslagen na het ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst, waarbij de werkgever stelde dat de werknemer had gehandeld met bedrog en dwaling door het verzwijgen van het oprichten van een concurrerende vennootschap.
De werknemer vorderde onder meer de nietigheid van het ontslag en nakoming van de beëindigingsovereenkomst. De kantonrechter wees de vorderingen af, maar de rechtbank stelde de werknemer grotendeels in het gelijk. De werkgever stelde beroep in cassatie in tegen dit vonnis.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onjuiste rechtsopvattingen had over het begrip dwaling en bedrog, met name dat niet van de dwalende kon worden verlangd dat hij precies aangeeft welke voorwaarden anders zouden zijn geweest zonder dwaling. Ook stelde de Hoge Raad dat de werkgever voldoende had gesteld omtrent het bedrog. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.