Uitspraak
3 oktober 1997.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een huurder en de gemeente over de betalingsverplichting van servicekosten voor gas, water en elektriciteit. De huurder beriep zich op een in de huurovereenkomst opgenomen vaste vergoeding van 150 gulden per maand die niet verrekenbaar zou zijn. De kantonrechter en rechtbank wezen de vordering van de huurder af, stellende dat artikel 37 van Pro de Huurprijzenwet woonruimte (HPW) toewijzing in de weg stond.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de gemeente als opvolgend verhuurder gebonden is aan de afspraken van de vorige verhuurder en dat de vaste vergoeding als niet-verrekenbaar kan worden aangenomen. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 13 lid 1 HPW Pro de weg naar de Huurcommissie afsluit indien partijen een betalingsafspraak hebben gemaakt, maar dat dit niet uitsluit dat de huurder in een dagvaardingsprocedure een verklaring voor recht kan vorderen over de betalingsverplichting.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de gemeente in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de huurder niet is uitgesloten van civiele procedure ondanks de regeling in de HPW en dat de vaste vergoeding niet automatisch de mogelijkheid tot procedure bij de Huurcommissie uitsluit.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het Gerechtshof Amsterdam.