Uitspraak
10 oktober 1997.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen betreffende het beheer van het vermogen van verweerder door Optimum. Verweerder had een vordering ingesteld wegens wanprestatie en schadevergoeding. De rechtbank had Optimum bij verstek veroordeeld wegens wanprestatie, waarna Optimum in verzet kwam. De rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de termijn en bekrachtigde het verstekvonnis. Het hof vernietigde dit vonnis en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte een stuk, dat door de rechtbank in eerste aanleg terzijde was gelegd wegens late overlegging en strijd met goede procesorde, als onderdeel van het geding had beschouwd. Dit stuk betrof een overeenkomst die de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen zou aantonen. Door dit stuk mee te wegen, was de grondslag van het oordeel van het hof komen te vervallen.
Verder stelde de Hoge Raad dat Optimum niet kon worden verplicht om na de memorie van antwoord nogmaals te reageren op de overgelegde overeenkomst, en dat het hof niet mocht aannemen dat de overeenkomst als onweersproken kon worden beschouwd. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling, waarbij Optimum gelegenheid moet krijgen alsnog op de overeenkomst te reageren. Verweerder werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met gelegenheid tot reactie op de overgelegde overeenkomst.