De zaak betreft een geschil tussen CNV en Pennwalt over de vaststelling en opname van vrije snipperdagen conform een CAO die liep van 1989 tot 1991. Pennwalt had zonder voorafgaand overleg met de ondernemingsraad collectieve vakantieperioden vastgesteld die volgens CNV niet binnen de CAO-regels vielen. CNV vorderde nakoming van de CAO en vergoeding van schade.
De Kantonrechter wees de vorderingen af, maar de Rechtbank vernietigde dit vonnis deels en oordeelde dat Pennwalt in strijd met de CAO handelde door vrije snipperdagen onrechtmatig vast te stellen. De Rechtbank wees de vordering tot nakoming echter af omdat CNV volgens haar niet namens elke werknemer kon optreden.
De Hoge Raad stelde vast dat een werknemersorganisatie als contractspartij wel zelfstandig nakoming kan vorderen zonder dat het nodig is om te onderzoeken hoeveel werknemers bezwaar hadden. Wel moet rekening worden gehouden met welke werknemers aanspraak kunnen maken op de vrije snipperdagen. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank voor zover de nakoming werd afgewezen en wees de vordering toe, maar wees de dwangsom af vanwege de noodzaak tot nader overleg.
De Hoge Raad verwierp het beroep tegen de afwijzing van de immateriële schadevergoeding en veroordeelde Pennwalt tot nakoming en kostenvergoeding.