ECLI:NL:HR:1997:ZC9322
Hoge Raad
- Beschikking
- Hermans
- Keijzer
- Corstens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt beschikking onttrekking aan het verkeer van niet-verdovende middelen
In deze zaak stond de vraag centraal of de onttrekking aan het verkeer van bepaalde inbeslaggenomen tabletten, poeders en pillen, die geen verdovende middelen zijn, rechtmatig was. De rechtbank Maastricht had deze goederen aan het verkeer onttrokken op grond dat zij konden worden verhandeld als waren het verdovende middelen en dat zij konden dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als de overtredingen van de Opiumwet waarvoor de verdachte was veroordeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat onder 'soortgelijke feiten' in artikel 36d Sr moet worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de feiten waarvan de verdachte is veroordeeld of waarvan hij wordt verdacht. Nu de inbeslaggenomen voorwerpen geen verdovende middelen zijn, kunnen zij niet worden aangemerkt als middelen die tot soortgelijke feiten kunnen dienen.
Het feit dat deze voorwerpen verhandeld kunnen worden alsof het verdovende middelen zijn, maakt dit niet anders, omdat dat geen strafbaar feit oplevert dat soortgelijk is aan een overtreding van de Opiumwet. Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor herbehandeling en afdoening van de vordering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot onttrekking aan het verkeer en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.