ECLI:NL:HR:1998:AA2270
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 1992 wegens niet tijdige aangifte
Belanghebbende had voor het jaar 1992 geen tijdige aangifte inkomstenbelasting gedaan, waarop de Inspecteur ambtshalve een aanslag oplegde op een belastbaar inkomen van ƒ 354.983,--. Belanghebbende diende na bezwaar alsnog een aangiftebiljet in met een veel lager inkomen van ƒ 24.860,--. Het Gerechtshof Leeuwarden vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en bevestigde de aanslag.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 29 lid 2 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen de rechter het beroep moet afwijzen tenzij blijkt dat de aanslag onjuist is. Belanghebbende had zijn stellingen niet met bewijsmiddelen onderbouwd en kon daarmee niet aantonen dat de aanslag onjuist was.
De Hoge Raad bevestigde dat de belastingaanslag niet valt onder artikel 6 EVRM Pro over civiele rechten en plichten, maar onder publiekrecht. De omkering van de bewijslast is geen strafsanctie en voldoet aan de waarborgen van artikel 6 EVRM Pro. Klachten over schending van het gelijkheidsbeginsel faalden omdat belastingplichtigen die na de termijn aangifte doen niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd met tijdige aangifte.
De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verwierp het cassatieberoep, waarmee de aanslag definitief bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1992.