ECLI:NL:HR:1998:AA2281
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers Van Brunschot
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid verrekening voorlopige teruggaven vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg voor het jaar 1988 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met verrekening van voorlopige teruggaven wegens verliesverrekening naar voorgaande jaren. Na bezwaar werd de aanslag verminderd tot nihil belastbaar bedrag, maar de verrekening van de voorlopige teruggaven bleef gehandhaafd. Het Hof vernietigde deze verrekening en bepaalde dat deze teruggaven niet met de aanslag mochten worden verrekend, maar via aparte carry-back beschikkingen.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat de wet dit niet verbiedt en dat de voorlopige teruggaven als voorlopige teruggaven over het aanslagjaar zelf moeten worden beschouwd, ook als later het verlies definitief wordt vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde echter dat artikel 21 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 slechts verrekening van voorlopige teruggaven met de aanslag toestaat indien geen carry-back beschikkingen worden vastgesteld.
Omdat in deze zaak wel carry-back beschikkingen zijn genomen, mocht de verrekening van voorlopige teruggaven niet worden gehandhaafd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris en veroordeelde hem in de proceskosten. Het arrest bevestigt de juiste toepassing van de verliesverrekening en de procedurele eisen bij voorlopige teruggaven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de verrekening van voorlopige teruggaven met de aanslag vennootschapsbelasting 1988 wordt ongedaan gemaakt.