ECLI:NL:HR:1998:AA2284
Hoge Raad
- Cassatie
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenbelasting na pro-forma bezwaarschrift
Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1993 en diende een pro-forma bezwaarschrift in, waarin hij vroeg om een termijn om het bezwaar te motiveren en om gehoord te worden. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat belanghebbende het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijnen motiveerde, ondanks meerdere waarschuwingen.
Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring en oordeelde dat de Inspecteur het horen van belanghebbende kon achterwege laten, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Belanghebbende stelde in cassatie dat op grond van een soepele benadering van gebrekkige bezwaarschriften en eerdere jurisprudentie het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden en dat hij gehoord had moeten worden.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. Het hof had terecht geoordeeld dat de inhoud van het bezwaarschrift niet aannemelijk maakte dat de Inspecteur reeds op andere wijze kennis had genomen van de gronden. De soepele benadering betekent niet dat de Inspecteur verplicht is een hoorzitting te houden als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het bezwaar wordt terecht niet-ontvankelijk verklaard.