ECLI:NL:HR:1998:AA2320

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33870
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrekbaarheid kosten bodemsanering bij verkoop onroerende zaak

In deze zaak ging het om een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1994 die was opgelegd aan de erflaatster. De aanslag werd gehandhaafd door de Inspecteur, maar het Gerechtshof Leeuwarden vernietigde deze en stelde de aanslag lager vast. De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de aftrekbaarheid van kosten van bodemsanering die in 1994 en 1995 waren gemaakt voor een onroerende zaak die tot 1 september 1994 was verhuurd en daarna werd verkocht. Het Hof oordeelde dat de kosten van bodemsanering in 1994 tot de aftrekbare kosten behoorden omdat zij verband hielden met de inkomsten uit de onroerende zaak.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel van de Staatssecretaris dat stelde dat de kosten niet aftrekbaar zouden zijn omdat zij waren gemaakt met het oog op verkoop. De Hoge Raad stelde dat het besluit tot verkoop niet afdoet aan het karakter van de kosten als aftrekbare kosten die zijn gemaakt ter verwerving, inning en behoud van inkomsten, tenzij de zaak uit speculatieve overwegingen ongebruikt en onverhuurd zou worden aangehouden, wat hier niet aan de orde was.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de aftrekbaarheid van de kosten bodemsanering bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 oktober 1997 betreffende de aan X, gewoond hebbende te Z, (hierna: erflaatster) voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan erflaatster is voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 75.170,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De erfgenamen zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 65.535,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De erfgenamen hebben een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Tot het vermogen van erflaatster behoorde een onroerende zaak, die tot 1 september 1994 was verhuurd. De huurder had er in het verleden een transportbedrijf uitgeoefend. Na het vertrek van de huurder besloot erflaatster het perceel te verkopen. De bodem van het perceel was verontreinigd door minerale oliën en tolueen. De kosten van bodemsanering bedroegen in het onderhavige jaar, 1994, f 9.635,-- en in 1995 f 122.871,--. De onroerende zaak is op 9 mei 1995 verkocht voor f 135.000,--. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het bedrag van f 9.635,-- behoort tot de op de inkomsten drukkende kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten in de zin van artikel 35, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) en dat er geen grond is voor de opvatting dat deze kosten geen verband meer hielden met de uit de onroerende zaak verkregen inkomsten. 3.3. Het middel - dat niet bestrijdt dat deze uitgaven naar hun aard aftrekbare (onderhouds)kosten zijn - komt tegen deze oordelen op met het betoog dat de uitgaven zijn gedaan met het oog op de verkoop van de onroerende zaak en dat derhalve geen sprake is van kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van inkomsten daaruit. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Het enkele besluit van een belastingplichtige om een voorheen door hem verhuurde onroerende zaak te verkopen, ontneemt aan daarna nog gemaakte onderhoudskosten niet het karakter van op de inkomsten uit die zaak drukkende aftrekbare kosten. Dit zou anders zijn indien na het vertrek van de huurder zou zijn besloten de zaak voorshands niet te verkopen maar uit speculatieve overwegingen ongebruikt en onverhuurd aan te houden. Uit 's Hofs uitspraak of uit de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur heeft gesteld dat een zodanige situatie zich te dezen voordoet. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het beroep, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 7 oktober 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker- Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van f 315,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van f 150,--, dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak, zodat nog resteert te betalen f 165,--.