gewezen op het beroep in cassatie van de Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 juli 1995 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1988 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 380.000,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. 2. Geding in cassatie.
4. Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest en maakt daarvan deel uit. 5. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 6. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr J.H. Sassen, advocaat te Arnhem. 7. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 26 november 1997 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.8. Belanghebbende exploiteert een openbare bibliotheek. In maart 1991 werd vanwege belanghebbende aan een ambtenaar van de inspectie omzetbelasting te P meegedeeld, dat het vermoeden was gerezen, dat de 3.9. - inmiddels ontslagen - in dienstbetrekking van belanghebbende werkzame directeur onregelmatigheden had gepleegd bij het door belanghebbende indienen van aangiften omzetbelasting. Er volgde een onderzoek door de FIOD/Fiscale recherche te T, in samenwerking met de Gemeentepolitie te S. Tegenover deze opsporingsorganisaties hebben bestuursleden van belanghebbende verklaard, dat het tot de taak van de directeur behoorde om de aangiften omzetbelasting te verzorgen en te ondertekenen. De voormalige directeur heeft tegenover genoemde instanties verklaard, dat hij een viertal aangiften omzetbelasting inzake tijdvakken van de jaren 1988, 1989 en 1990 zodanig had aangepast dat in totaal een bedrag van f 380.000,-- te veel aan omzetbelasting werd teruggevraagd. De belastingdienst heeft genoemd bedrag aan belanghebbende betaald, waarna de directeur zich dit bedrag heeft toegeëigend. 3.10. De Inspecteur heeft genoemd bedrag van belanghebbende, als ten onrechte teruggevraagd en teruggekregen, nageheven. Hij heeft de naheffingsaanslag niet met een administratieve boete verhoogd, aangezien belanghebbende de fraude na de ontdekking ervan zelf bij de belastingdienst heeft gemeld en belanghebbende naar zijn oordeel in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan een behoorlijke plichtsvervulling van de werknemer.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld: 3.11. dat belanghebbende op grond van de belastingwet de verplichting heeft aangifte te doen voor de omzetbelasting en niet de directeur, aan welk oordeel niet afdoet, dat belanghebbende op grond van haar interne organisatie haar directeur opdraagt aangiften omzetbelasting feitelijk te doen of zulks aan hem overlaat; 3.12. dat in een dergelijk geval de handelingen van de directeur aan belanghebbende moeten worden toegerekend, zodat, nu belanghebbende aangiften omzetbelasting heeft gedaan tot onjuiste bedragen, terwijl zulks aan het gedrag van de directeur te wijten is, niet geconcludeerd kan worden dat de directeur bepalingen van de belastingwet niet heeft nageleefd, doch wel dat belanghebbende is tekortgeschoten; 3.13. dat hieruit volgt dat de directeur niet kan worden aangemerkt als 'een ander' in de zin van artikel 20, lid 2, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), zodat, nu tevens vaststaat dat de uit de door belanghebbende ingediende onjuiste aangiften omzetbelasting voortvloeiende terug te geven bedragen aan haar zijn betaald, de Inspecteur deze bedragen op de voet van artikel 20, lid 1, van de AWR van belanghebbende kon naheffen, aan welk oordeel niet afdoet de omstandigheid dat de directeur zich deze bedragen na betaling daarvan aan belanghebbende heeft toegeëigend.
3.14. 3.3. Tegen 's Hofs oordeel dat de directeur niet aangemerkt kan worden als 'een ander' als bedoeld in artikel 20, lid 2, tweede volzin, van de AWR richt zich het middel met de stelling dat genoemde bepaling geen andere eis stelt dan dat te weinig belasting is geheven tengevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige en dat een werknemer, die de hem opgedragen taak aangiften omzetbelasting te verzorgen niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen verricht en daarbij slechts beoogt zijn eigen belangen te behartigen, is aan te merken als 'een ander' als bedoeld in genoemde bepaling.
3.4. Het middel faalt. Het bepaalde in artikel 20, lid 2, tweede volzin, van de AWR houdt in - op de gronden, genoemd in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 5.2 tot en met 5.4 - dat onder 'een ander' als bedoeld in deze bepaling niet mede is te begrijpen de werknemer, aan wie het verzorgen van de aangiften omzetbelasting van de werkgever, bestaande uit het ondertekenen en het indienen daarvan, is opgedragen of overgelaten, en die zich als gevolg van onjuiste aangiften ten onrechte teruggegeven bedragen na betaling daarvan aan belanghebbende heeft toegeëigend.
15. 4. Proceskosten 16. De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
17. 5. Beslissing 18. De Hoge Raad verwerpt het beroep.
19. Dit arrest is op 1 juli 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van Brunschot en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 31.844 Mr Van den Berge
Derde Kamer A Conclusie inzake:
OB 1988 - 1990 Stichting X
Parket, 26 november 1997 tegen:
de staatssecretaris van Financiën