ECLI:NL:HR:1998:AA2346
Hoge Raad
- Cassatie
- Wildeboer
- Beukenhorst
- Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing over liquidatie-uitkering ondanks formele ontbinding BV
Belanghebbende was directeur-grootaandeelhouder van een BV die per 1 januari 1993 feitelijk was ontbonden. Voor het jaar 1992 werd een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen, inclusief een bedrag belast volgens het bijzondere tarief van artikel 57 lid 2 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd, maar het Hof oordeelde dat de Inspecteur terecht het bedrag van de reserves van de BV per 31 december 1992 als liquidatie-uitkering had aangemerkt op grond van artikel 25 lid 1 letter Pro e van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het standpunt van belanghebbende dat geen belaste voordelen konden worden geheven zonder formele vereffening volgens artikel 2:23b BW werd verworpen.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk was en dat feiten die niet eerder aan het Hof waren voorgelegd niet in cassatie konden worden onderzocht. De Hoge Raad verwierp het beroep en oordeelde dat geen proceskostenveroordeling op zijn plaats was. Het arrest werd op 8 juli 1998 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de belastingheffing over de liquidatie-uitkering ondanks het ontbreken van formele vereffening.