ECLI:NL:HR:1998:AA2364

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juli 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33746
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18b Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 1 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in zaak parkeerbelasting naheffingsaanslag gemeente Leiden

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor parkeerbelasting in de gemeente Leiden, die na bezwaar werd gehandhaafd door het Hoofd Dienst Parkeerbeheer. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, waarna het Hoofd de aanslag ambtshalve vernietigde. De voorzitter van de Belastingkamer vernietigde daarop de uitspraak en gelastte vergoeding van het griffierecht. Het hof verklaarde het verzet van belanghebbende ongegrond.

Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof belanghebbende niet in de gelegenheid had gesteld te worden gehoord, terwijl dit volgens de wet verplicht is indien het hof het verzet ongegrond acht. Dit vormde een schending van het recht op hoor en wederhoor.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling in meervoudige kamer, met inachtneming van de vereiste procedurele waarborgen. Tevens werd het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de cassatieprocedure vergoed.

De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten ten laste van belanghebbende. Het arrest werd op 22 juli 1998 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Fleers, Pos en Beukenhorst.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het recht op hoor en wederhoor.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 september 1997 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van dat Hof betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Leiden.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 4 december 1995 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Leiden opgelegd ten bedrage van f 64,--, bestaande uit f 2,50 aan enkelvoudige belasting en f 61,50 aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd Dienst Parkeerbeheer (hierna: het Hoofd) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Nadien heeft het Hoofd de naheffingsaanslag bij beschikking ambtshalve vernietigd.
Bij beschikking van 19 november 1996 heeft de Voorzitter van voormelde Belastingkamer de uitspraak vernietigd en gelast dat het Hoofd aan belanghebbende het voor de zaak gestorte griffierecht van f 40,-- zou vergoeden. Het Hof heeft het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten 3.1 3.1. Ingevolge artikel 18b, lid 1, van de Wet adminstratieve rechtspraak belastingzaken kan de indiener van een verzetschrift bij de indiening daarvan vragen over zijn verzet te worden gehoord. In een zodanig geval is het hof op grond van het bepaalde in lid 2 van dat artikel gehouden de indiener in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, indien het van oordeel is dat het verzet ongegrond is. 3.2 3.2. In dit geval heeft de gemachtigde van belanghebbende in de motivering van het verzetschrift onder meer aangevoerd dat belanghebbende zich onvoldoende heeft kunnen verweren in de beroepsprocedure bij het Hof en verwezen naar een bij die motivering gevoegde brief van belanghebbende waarin deze het voornemen uitte een aantal vragen aan de rechter voor te leggen. Een en ander kan niet anders worden opgevat dan als een verzoek op het verzet te worden gehoord. Nu het Hof het verzet ongegrond heeft verklaard zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, kan de uitspraak, waarin overigens terecht ervan wordt uitgegaan dat de belastingrechter slechts voor kosten die kunnen worden gerangschikt onder de in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures vermelde kostenposten een vergoeding kan toekennen, niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof; - verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; - gelast dat door het Hoofd aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 90,--.
Dit arrest is op 22 juli 1998 vastgesteld door de raadsheer Fleers als voorzitter, en de raadsheren Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.