ECLI:NL:HR:1998:AA2371
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Fleers
- Beukenhorst
- Monné
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid kosten botter als verwervingskosten in inkomstenbelasting 1993
Belanghebbende, werkzaam bij een stichting voor bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, bracht bij zijn aangifte inkomstenbelasting 1993 de helft van de kosten van zijn eigendom zijnde botter op als aftrekbare kosten. De Inspecteur wees deze aftrek af, maar het Hof Amsterdam oordeelde dat een deel van de kosten (ƒ 2.500) aftrekbaar was omdat het gebruik van de botter direct dienstbaar was aan de inkomstenverwerving door publicaties over de Zuiderzeevisserij.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte het vergelijkingscriterium van artikel 35, lid 1, tweede volzin, Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet had toegepast. Dit criterium beperkt aftrekbaarheid tot het bedrag dat hoger is dan kosten die vergelijkbare personen zonder dergelijke inkomsten maken. Het Hof had echter het subsidiaire standpunt van de Inspecteur gevolgd dat de aftrek beperkt was tot ƒ 2.500.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat het gebruik van de botter gesplitst kon worden in zakelijke en privé-kosten, waardoor het vergelijkingscriterium niet van toepassing was. Ook ontbrak het bewijs van de Inspecteur dat belanghebbende geen meerkosten had dan andere botterbezitters. Daarom werd het cassatieberoep verworpen en werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het Hof Amsterdam blijft bevoegd een deel van de kosten van de botter als aftrekbare verwervingskosten te erkennen.