ECLI:NL:HR:1998:AA2372

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33341
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de loonbelasting 1964Ziekenfondswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling lumpsumregeling en heffing reële waarde aanspraken militairen

Belanghebbende werd voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over een belastbaar inkomen van f 53.694,--. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de aanslag handhaafde, stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de toepassing van een lumpsumregeling voor de heffing van de reële waarde van aanspraken van militairen op vrije geneeskundige verzorging. Het Hof oordeelde dat deze lumpsumregeling correct was toegepast en dat er geen begunstigend beleid voor militairen was gevoerd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat het voordeel dat militairen genoten door de werkgever die de belasting betaalde, als belastbaar inkomen uit dienstbetrekking moet worden gezien.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de lumpsumregeling en de wijze van heffing niet onbegrijpelijk waren. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af. Dit arrest werd vastgesteld op 23 september 1998 door de genoemde raadsheren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 april 1997 betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 53.694,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof, beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
1. 3. Beoordeling van het middel 2. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat ten aanzien van het onderhavige jaar de reële waarde van de aanspraken van militairen op vrije geneeskundige verzorging op basis van een zogenaamde lumpsumregeling in de heffing is betrokken, waarbij door middel van brutering rekening is gehouden met de omstandigheid dat deze heffing niet op de militairen zou worden verhaald. Uitgaande van dit oordeel, dat als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet kan wordt getoetst, heeft het Hof terecht geoordeeld dat ten aanzien van de militairen geen begunstigend beleid is gevoerd. De omstandigheid dat de verschuldigde belasting over de reële waarde van de aanspraken niet is betaald op een per werknemer gespecificeerde naheffingsaanslag maar op grond van een voor de gehele groep werknemers getroffen lumpsumregeling, is te dezen niet van belang. Weliswaar brengt dit mee dat bij de individuele werknemer het aan hem toe te rekenen aandeel in de lumpsum hoger of lager kan zijn dan het op hem betrekking hebbende deel van een gespecificeerde naheffingsaanslag zou zijn geweest, maar belanghebbende kan daaraan niet met een beroep op het gelijkheidsbeginsel het recht ontlenen dat zijn aanspraak ingevolge de Ziekenfondswet naar een lager bedrag dan de reële waarde ervan moet worden belast. Het voordeel dat de militairen hebben genoten doordat de werkgever de verschuldigde belasting voor zijn rekening heeft genomen, is aan hen toegevloeid uit hun dienstbetrekking en is ook als zodanig belast. Het van een andere opvatting uitgaande middel faalt derhalve. 3.
4. 4. Proceskosten 5. De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. 5. Beslissing 7. De Hoge Raad verwerpt het beroep.
8. Dit arrest is op 23 september 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Dekker-Barendse, en op die datum i