ECLI:NL:HR:1998:AA2398

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33040
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • De Moor
  • Meij
  • Van Vliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting 1995 na beroep en cassatie

Belanghebbende, X B.V., kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het jaar 1995 ter hoogte van 150.586 gulden. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. Vervolgens werd beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de aanslag bevestigde. Hiertegen stelde X B.V. cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden. Volgens artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde het middel geen nadere motivering omdat het niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leidde.

De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af, omdat geen gronden aanwezig waren voor een dergelijke veroordeling op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Het arrest werd op 28 januari 1998 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken door de raadsheren De Moor, Meij en Van Vliet, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Van Hooff.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en de naheffingsaanslag omzetbelasting 1995 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 december 1996 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 150.586,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daarte gen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep geko men bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsont wikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 28 januari 1998 vastgesteld door de raadsheer De Moor als voorzitter en de raadsheren Meij en Van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.