ECLI:NL:HR:1998:AA2400

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33013
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
  • raadsheer Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 36 lid 2 letter e Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrekbaarheid van kosten huisvesting buiten woonplaats bij werkzaamheden

Belanghebbende, directeur van een werkmaatschappij binnen een aannemersconcern, had voor zijn werkzaamheden een flat gehuurd nabij het hoofdkantoor, waar hij meerdere nachten per week verbleef. De kosten van deze huisvesting werden in geschil gebracht in de belastingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1993.

Het Gerechtshof Arnhem had de aanslag verminderd omdat het oordeelde dat de kosten van de huisvesting aftrekbaar waren. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht eerst had vastgesteld dat de kosten in principe aftrekbare kosten waren volgens artikel 35 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vervolgens had het Hof beoordeeld dat de beperking van aftrek in artikel 36, lid 2, letter e, niet van toepassing was in deze situatie. Het cassatiemiddel, dat een onjuiste uitleg van het Hof veronderstelde, werd verworpen.

De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staatssecretaris en veroordeelde hem in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat kosten voor huisvesting buiten de woonplaats aftrekbaar kunnen zijn als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de kosten van het geding worden aan hem opgelegd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 december 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 306.107,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f. 300.067,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woont in Z. Hij is directeur van een in Q gevestigde werkmaatschappij van een groot aannemersconcern. In verband met zijn werkzaamheden moet belanghebbende twee à drie dagen per week op het hoofdkantoor in Q zijn. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor een drietal vestigingen van de vennootschap, te weten in R, S en T. Belanghebbende heeft in verband met zijn werkzaamheden te Q per 1 juli 1993 aldaar een flat betrokken, waar hij twee à drie nachten per week verblijft. De aan deze huisvesting verbonden kosten beliepen in 1993 f. 7.478,--. 3.2. Voor het Hof was in geschil of deze kosten behoren tot de op belanghebbendes inkomsten uit arbeid in mindering te brengen aftrekbare kosten. Het Hof heeft het geschil in het voordeel van belanghebbende beslist. 3.3. Naar het oordeel van het Hof moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever met het opnemen in artikel 36, lid 2, letter e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van de termijn van twee jaren heeft beoogd de beperking van de aftrek voor alle gevallen van huisvesting buiten de woonplaats vorm te geven. In het daartegen gerichte middel wordt met juistheid voorop gesteld dat indien geen sprake is van aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van Pro de Wet, aan de aftrekbeperking van artikel 36, lid 2, aanhef en letter e, van de Wet niet wordt toegekomen. Waar het middel evenwel ervan uitgaat dat het Hof heeft geoordeeld dat na de invoering van laatstgenoemde bepaling in alle gevallen van huisvesting buiten de woonplaats de kosten (althans gedurende twee jaren) tot de aftrekbare kosten gerekend kunnen worden, berust het op een onjuiste lezing van 's Hofs uitspraak en mist het derhalve feitelijke grondslag. De overwegingen van het Hof moeten aldus worden verstaan dat het eerst heeft onderzocht of de onderhavige kosten in beginsel zijn aan te merken als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van Pro de Wet, welke vraag het Hof kennelijk bevestigd heeft beantwoord, en vervolgens of het bepaalde van artikel 36, lid 2, aanhef en letter e, van de Wet aftrek van die kosten verhindert, welke vraag ontkennend is beantwoord. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste opvatting van evenvermelde bepalingen. Het middel, dat deze oordelen uitsluitend met een rechtsklacht bestrijdt, kan derhalve niet slagen.
4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het door hem ingestelde beroep.
5. Beslissing De Hoge Raad: - verwerpt het beroep; en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f. 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 28 januari 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter wordt dit arrest ondertekend door de raadsheer Fleers.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f. 315,--.