ECLI:NL:HR:1998:AA2408

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32858
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Fleers
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
  • raadsheer Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 1 letter j Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrek van reiskosten voor schrijven reishandboek niet als studiereis

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen van fl. 89.066,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van fl. 85.300,--. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

Belanghebbende had een reis gemaakt in het kader van een auteurscontract voor het schrijven van een reishandboek, waarbij kosten voor de reis en het maken van foto's als aftrekpost werden opgevoerd. De Inspecteur had deze kosten geweigerd in aftrek te nemen, stellende dat het om een studiereis ging die onder de aftrekbeperking van artikel 36 lid 1 letter Pro j Wet IB 1964 viel.

Het Hof oordeelde echter dat de reis niet als studiereis kon worden aangemerkt omdat deze onontbeerlijk was voor de taakvervulling en niet vrijblijvend, gezien de contractuele verplichtingen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de reiskosten zijn aftrekbaar.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 1996 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl . 89.066,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 85.300,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft, met het oog op de nakoming van een auteurscontract waarbij hij tegen een recht op royalty's zich jegens een uitgever heeft verbonden tot het schrijven van een reishandboek, in het onderhavige jaar een reis door R en S gemaakt. Het doel van deze reis was het verzamelen van praktische informatie, alsmede het maken van foto's die als illustratiemateriaal moesten dienen. Belanghebbende heeft de kosten van de reis op zijn inkomsten in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft deze kosten niet in aftrek aanvaard. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de kosten, hoewel de reis naar het spraakgebruik als een studiereis moet worden bestempeld, niet onder de aftrekbeperking van artikel 36, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) vallen. Het heeft daarvoor kennelijk van beslissende betekenis geacht dat de reis, gelet op de tussen belanghebbende en de uitgever gesloten overeenkomst, niet vrijblijvend was. 3.3. Met die redengeving heeft het Hof, mede gelet op hetgeen het Hof overigens in de eerste als 5.4. genummerde overweging heeft vermeld, tot uitdrukking gebracht dat de reis onontbeerlijk was voor het schrijven van dit reishandboek en dus uit hoofde van een rechtstreekse taakvervulling is ondernomen. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat te dezen niet sprake is van een studiereis in de zin van artikel 36, lid 1, letter j, van de Wet. Het van een andere opvatting uitgaande middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing De Hoge Raad - verwerpt het beroep; en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f. 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 4 februari 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Bij ontstentenis van de voorzitter wordt dit arrest ondertekend door de raadsheer Fleers.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f. 315,--.