ECLI:NL:HR:1998:AA2412

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32890
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Fleers
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5aa lid 3 Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 5aa lid 4 Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 11b Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten fiscale procedures
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in cassatie over proceskostenveroordeling in belastingzaak

Belanghebbende had bij het hof een verzoek ingediend om de gemeente te veroordelen tot vergoeding van proceskosten in een belastingzaak over parkeergeld 1991. Het hof wees dit verzoek toe, maar deed dit zonder mondelinge behandeling en zonder schriftelijke toestemming van partijen, wat in strijd is met artikel 11b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte zonder de vereiste toestemming uitspraak had gedaan en vernietigde het arrest. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling in meervoudige kamer.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad het hoofd van de afdeling Centrale financiële zaken van de gemeente in de kosten van het cassatiegeding, waarbij rekening werd gehouden met het grote aantal samenhangende zaken en de bijzondere omstandigheden die een afwijkende wegingsfactor rechtvaardigen.

De Hoge Raad wees de gemeente aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden en gelastte vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. Het arrest werd op 4 februari 1998 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 oktober 1996 betreffende een verzoek ingevolge artikel 5aa, lid 3, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Wet).
1. 1. Geding voor het Hof 2. Tegelijk met de intrekking van het beroepschrift betreffende het door de gemeente Hoorn ten laste van belanghebbende over het jaar 1991 geheven parkeergeld heeft belanghebbende op 15 augustus 1996 verzocht de Gemeente te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof. 3. Het Hof heeft de Gemeente veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van f. 177,50. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
4. 2. Geding in cassatie 5. Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 6. Het hoofd van de afdeling Centrale financiële zaken van de Gemeente (hierna: het Hoofd) heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
7. 3. Beoordeling van de middelen 3.8. Zoals middel I terecht tot uitgangspunt neemt, is op de procedure voor het Hof, nu het niet om een mondeling gedaan verzoek gaat, ingevolge het bepaalde in artikel 5aa, lid 4, van de Wet onder meer van overeenkomstige toepassing artikel 11b van de Wet, voorschrijvende dat het hof slechts met schriftelijke toestemming van partijen zonder mondelinge behandeling uitspraak kan doen. 3.9. Het Hof heeft zonder mondelinge behandeling uitspraak gedaan, maar noch uit de gedingstukken noch uit 's Hofs uitspraak blijkt van de daarvoor vereiste toestemming, zodat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat deze niet is verleend. 3.10. Middel I dat klaagt over schending van genoemd artikel 11b is derhalve gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
11. 4. Proceskosten 12. Het Hoofd zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 32.891 tot en met 32.943 wat deze kosten in cassatie betreft met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures (hierna: het Besluit). De omstandigheid dat de belanghebbenden zich niet als groep tot hun gemeenschappelijke gemachtigde hebben gewend, staat aan dit oordeel niet in de weg. Het uitzonderlijk grote aantal samenhangende zaken vormt een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3 van het Besluit, welke rechtvaardigt in afwijking van de in de bijlage bij het Besluit voorgeschreven wegingsfactor voor 4 of meer samenhangende zaken de factor 4 toe te passen.
13. 5. Beslissing 14. De Hoge Raad: 15. - vernietigt de uitspraak van het Hof; 16. - verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 17. 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer; 18. - veroordeelt het Hoofd in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f. 26,30 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; 19. - wijst de Gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; 20. - gelast dat door het Hoofd aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f. 75,-.
Dit arrest is op 4 februari 1998 vastgesteld door de raadsheer Fleers als voorzitter, en de raadsheren Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.