ECLI:NL:HR:1998:AA2432
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering en belastingheffing bij staking onderneming en bodemsanering
Belanghebbende exploiteerde een garagebedrijf met tankstation en verhuurde het pand aan een vennootschap waarvan hij en zijn echtgenote aandelen hielden. In 1993 werd een overeenkomst gesloten met een stichting en gemeente voor bodemsanering, waarbij de saneringskosten door de stichting werden gedragen mits de onderneming werd beëindigd en een eventuele doorverkoop binnen tien jaar zou leiden tot terugbetaling.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende zijn onderneming uiterlijk in 1989 had gestaakt en dat het pand toen naar privévermogen moest worden overgebracht tegen de economische waarde ultimo 1989, vastgesteld op 430.000 gulden. Deze waardering was mede gebaseerd op een taxatierapport, waarvan de betrouwbaarheid in cassatie werd betwist maar door de Hoge Raad niet werd getoetst.
Het Hof verwierp ook het verzoek om een redelijke tegemoetkoming wegens mogelijke onredelijke uitkomsten van de belastingheffing, waaronder liquiditeitsproblemen door de betaling van saneringskosten. De Hoge Raad bevestigde dat dergelijke liquiditeitsproblemen geen reden zijn voor een tegemoetkoming en wees het cassatieberoep af.
De Hoge Raad oordeelde verder dat geen aanleiding bestond voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd vastgesteld en in het openbaar uitgesproken op 22 april 1998.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de waardering en belastingaanslag over 1989.