ECLI:NL:HR:1998:AA2494
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over het tijdstip van opname van overnameschuld in het ondernemingsvermogen bij geruisloze doorschuiving
Belanghebbende nam per 1 mei 1991 het aandeel van zijn vader in een melkveehoudersbedrijf over en zette de onderneming voort als eenmanszaak. De overdrachtsprijs werd zakelijk vastgesteld en hoger dan de boekwaarde. Belanghebbende en zijn vader verzochten om toepassing van de geruisloze doorschuiving volgens artikel 17 Wet Pro IB 1964.
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op omdat hij meende dat de schuld aan de vader al per 30 april 1991 tot het ondernemingsvermogen behoorde, wat het Hof bevestigde. De Hoge Raad oordeelt echter dat de schuld pas per het moment van daadwerkelijke overdracht en aanvang van de onderneming, 1 mei 1991, tot het ondernemingsvermogen behoort.
De Hoge Raad benadrukt dat vóór het tijdstip van aanvang van de onderneming er geen ondernemingsvermogen is en dat de schuld uit hoofde van de overname niet eerder als verplicht ondernemingsvermogen kan worden aangemerkt. Het beroep wordt gegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en de navorderingsaanslag over 1991 en geeft belanghebbende gelijk dat de schuld pas per 1 mei 1991 tot het ondernemingsvermogen behoort.