ECLI:NL:HR:1998:AA2507
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen invorderingsrente bij nalatenschap
Belanghebbende, erfgename van een nalatenschap, kreeg een voorlopige aanslag successierecht opgelegd en verzocht om uitstel van betaling. De Belastingdienst stemde in met een betalingsregeling, maar bracht invorderingsrente in rekening over een gedane betaling. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze invorderingsrente, stellende dat uitstel van betaling was verleend en dat de regeling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Het Hof oordeelde dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor uitstel van betaling zoals bepaald in de Invorderingswet 1990 en het Uitvoeringsbesluit, en bevestigde de invordering van rente. Het Hof vond de ongelijke behandeling van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren gerechtvaardigd vanwege liquiditeitsproblemen bij bedrijfsopvolging. Ook was er geen sprake van een rechtens beschermd vertrouwen dat geen rente zou worden geheven.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof, wijst de cassatieklachten af en oordeelt dat het Hof zijn discretionaire bevoegdheid niet heeft overschreden door het verzoek tot uitstel van mondelinge behandeling te weigeren. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de invordering van invorderingsrente.