ECLI:NL:HR:1998:AA2532
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Meij
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing omzetbelasting over afkoopsom bij ontbinding huurovereenkomst
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1989-1990, die na bezwaar werd verminderd tot een bedrag van f 7.805,--. Tegen deze aanslag kwam belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de aanslag bevestigde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
Het geschil betrof de vraag of de door de huurder aan belanghebbende betaalde afkoopsom voor het beëindigen van de huurovereenkomst een dienst vormt die belast is met omzetbelasting. Het Hof oordeelde dat het afzien van werkzaamheden of het staken van activiteiten als een dienst wordt aangemerkt en dat de afkoopsom daarom aan omzetbelasting is onderworpen, ongeacht of het ook een schadevergoeding of afkoop van huur betreft.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Lubbock Fine), waarin is bepaald dat een wijziging in de contractuele verhouding, zoals het beëindigen van een huurcontract tegen vergoeding, onder de vrijstelling valt als de oorspronkelijke prestatie dat ook doet, tenzij partijen gezamenlijk de vrijstelling buiten toepassing laten. In dit geval was dat gebeurd, waardoor de afkoopsom belast is.
Belanghebbende voerde aan dat zij vermogensschade had geleden door het niet nakomen van een investeringsverplichting door de huurder, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat de waarde van die verplichting ook tot de belaste vergoeding zou behoren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de afkoopsom aan omzetbelasting is onderworpen.