ECLI:NL:HR:1998:AA2542
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing over vergoeding belastingschade bij verkoop bedrijfsgrond
Belanghebbende, een ondernemer met een autorijschool en garage, verkocht in 1991 een gedeelte van zijn bedrijfsgrond en loods aan de gemeente in het kader van een bestemmingsplan. In de koopakte werd een clausule opgenomen dat eventuele belastingschade voor rekening van de gemeente kwam. Belanghebbende berekende deze belastingschade op f 109.962,-- en de gemeente bevestigde de vergoeding hiervan.
De Inspecteur rekende deze vergoeding tot de winst van 1992, wat door het Hof werd bevestigd. Het Hof oordeelde dat de vergoeding niet het gevolg was van een dreigende onteigening en dat een redelijk handelende ondernemer ook zonder onteigening tot deze transactie zou zijn overgegaan. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, en kan in cassatie niet worden vernietigd.
Het tweede middel betrof de vraag of de vergoeding in 1992 of 1993 tot de winst moest worden gerekend. Het Hof stelde vast dat op 31 december 1992 voldoende zekerheid bestond over de vergoeding, zodat deze in 1992 moest worden belast. Ook het subsidiaire betoog dat de vergoeding in 1991 had moeten worden belast, faalde omdat de foutenleer toepassing vindt en de vergoeding alsnog in 1992 tot uitdrukking kon worden gebracht.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat geen reden bestaat voor veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 26 augustus 1998 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting over 1992 wordt bevestigd.