ECLI:NL:HR:1998:AA2587
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelasting en investeringsbijdragen bij oprichting en preconstitutieve verplichtingen
X B.V. werd opgericht op 22 december 1988 en had op 28 februari 1988 namens haar in oprichting de economische eigendom van een pand gekocht. De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op en weigerde investeringsbijdragen toe te kennen. Het Hof bevestigde dit oordeel, stellende dat het beslissende moment voor toepassing van artikel 23d lid 1 onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het moment van oprichting is.
In cassatie betoogde X B.V. dat het tijdstip van het aangaan van de verplichtingen doorslaggevend moet zijn, omdat de vennootschap deze verplichtingen na oprichting heeft bekrachtigd. De Hoge Raad oordeelde dat een redelijke wetstoepassing vereist dat de situatie op het moment van het aangaan van de verplichtingen wordt beoordeeld, ook voor de toepassing van artikel 23d lid 1 letter b. Dit betekent dat de investeringsbijdragen moeten worden toegekend indien op dat moment aan de voorwaarden wordt voldaan.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Tevens werden proceskosten aan de zijde van X B.V. toegewezen. De uitspraak bevestigt dat voor investeringsfaciliteiten bij vennootschappen in oprichting het regime geldt van het tijdstip waarop verplichtingen zijn aangegaan, mits deze verplichtingen later worden bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bepaalt dat het tijdstip van het aangaan van verplichtingen beslissend is voor investeringsbijdragen, niet het moment van oprichting.