ECLI:NL:HR:1998:AA4751

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33929
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen aanslag inkomstenbelasting 1990

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 836.144, waarvan ƒ 760.000 belast werd volgens artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, inclusief heffingsrente van ƒ 20.007. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd door de inspecteur.

Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Leeuwarden, dat de aanslag bevestigde. Vervolgens stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad en diende een middel van cassatie in. De Staatssecretaris van Financiën voerde verweer tegen dit beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1990 wordt verworpen.

Uitspraak

Nr. 33929
16 december 1998
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uit-spraak van het Ge-rechtshof te Leeuwarden van 7 november 1997 be-tref-fende de hem voor het jaar 1990 opge-legde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aan-slag in de in-kom-sten-be-las-ting/premie volksverzekeringen op-ge-legd naar een belastbaar inkomen van ƒ 836.144,--, waarvan een bedrag van ƒ 760.000,-- belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met een heffingsrente ten bedrage van ƒ 20.007,--, wel-ke aan-slag, na daar-te-gen ge-maakt bezwaar, bij uit-spraak van de In-spec-teur is gehandhaafd.
Be-lang-heb-ben-de is te-gen die uit-spraak in be-roep ge-ko-men bij het Hof, dat deze uit-spraak heeft bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ´s Hofs uit-spraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoog-schrift het cassatieberoep bestre-den.
3. Beoordeling van het middel van cas-sa-tie
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proces-kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administra-tieve recht-spraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 16 december 1998 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier van Hooff, en in het openbaar uitgesproken.