Uitspraak
[woonplaats].
6 oktober 1998.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Rechtbank Maastricht het klaagschrift van klaagster over de inbeslagname van gelden niet-ontvankelijk verklaard omdat het klaagschrift te laat was ingediend, namelijk acht maanden na de beëindiging van de strafzaak. De Rechtbank baseerde zich op artikel 552, tweede lid, Sv, dat een termijn van drie maanden stelt voor het indienen van een klaagschrift na het einde van de vervolging.
Klaagster stelde dat het klaagschrift eerder was ingediend en ingetrokken vanwege een toezegging van Justitie dat het geld zou worden vrijgegeven, maar dat deze toezegging op een intern misverstand berustte. De Rechtbank heeft echter nagelaten vast te stellen wanneer de kennisgeving van niet verdere vervolging aan klaagster bekend werd gemaakt, hetgeen essentieel is voor het bepalen van de termijn waarbinnen het klaagschrift ingediend moest worden.
De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom 9 september 1997 als datum van indiening geldt en dat onduidelijk is wanneer de kennisgeving van niet verdere vervolging heeft plaatsgevonden. Hierdoor is de niet-ontvankelijkverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor herbehandeling van het klaagschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift en verwijst de zaak voor herbehandeling naar het gerechtshof.