Uitspraak
Eerste Kamer
Nr. 16.353 (96/171 HR)
AS
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr J.L. Hofdijk,
STICHTING PENSIOENFONDS ABP ,
gevestigd te Heerlen ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr R. van Gelder.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 26 oktober 1993 bevolen comparitie van partijen heeft [eiseres] het onder 1 in de inleidende dagvaarding gevorderde in dier voege vermeerderd c.q. gewijzigd dat de overeenkomst nietig dient te worden verklaard, zulks vanwege dwaling en/of bedrog, subsidiair wegens wederzijds dwaling.
De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 29 maart 1994 in conventie de huurovereenkomst per 1 oktober 1993 ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden, zoals vernoemd in art. 6:258 BW Pro; in reconventie heeft de Kantonrechter [eiseres] veroordeeld om aan het ABP te betalen een vergoeding van ƒ 33.081,61 met de wettelijke rente over ƒ 32.083,35, en in conventie en in reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het zowel in conventie als in reconventie gewezen eindvonnis heeft het ABP hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam . [eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij vonnis van 1 februari 1996 heeft de Rechtbank in het principale beroep voormeld eindvonnis van de Kantonrechter vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank in conventie de vorderingen van [eiseres] afgewezen en in reconventie [eiseres] veroordeeld om aan het ABP te betalen ƒ 53.081,61 ter zake van achterstallige huurpenningen tot 1 oktober 1993 en de contractuele rente tot 13 oktober 1992, te vermeerderen met de contractuele rente over ƒ 52.083,35 vanaf 13 oktober 1993, alsmede ƒ 79.787,23 ter zake van schadevergoeding over de periode van 1 oktober 1991 tot en met 30 juni 1994 en ƒ 1.500,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, en - behoudens de proceskosten - het meer of anders gevorderde afgewezen. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
Het ABP heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
In het geding in de feitelijke instanties was de wederpartij van [eiseres] de publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in art. L 1 van de toenmalige Algemene burgerlijke pensioenwet: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds . Bij de wet van 21 december 1995, Stb. 639, in werking getreden op 1 januari 1996 (verder Wet Privatisering ABP ), is de Algemene burgerlijke pensioenwet ingetrokken en zijn - behoudens de in lid 1 van art. 24 van Pro de Wet privatisering ABP aangegeven uitzonderingen - alle vermogensbestanddelen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds onder algemene titel overgegaan op de op 28 december 1995 opgerichte Stichting Pensioenfonds ABP (verder ABP ). ABP - gevestigd op hetzelfde adres als het Algemeen burgerlijk pensioenfonds - heeft de personeelsleden van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds wier werkzaamheden lagen op het terrein waarop het ABP de taken van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft voortgezet, in dienst genomen.
ABP heeft, na 1 januari 1996 en vóór het uitbrengen van de cassatiedagvaarding - te weten op 22 februari 1996 - het vonnis van de Rechtbank aan [eiseres] doen betekenen. Het desbetreffende betekeningsexploit vermeldde dat de betekening geschiedde ten verzoeke van de "rechtspersoon HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS " De cassatiedagvaarding van 26 april 1996 is, uitgebracht aan "de rechtspersoon HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS ". Bij exploit van 24 mei 1996 is de cassatiedagvaarding betekend aan "de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting: STICHTING PENSIOENFONDS ABP ". Bij dit exploit is voorts aanzegging gedaan dat voor het geval het Algemeen burgerlijk pensioenfonds ten tijde van het exploit van 26 april 1996 niet meer zou bestaan dan wel niet of niet meer als procespartij kan worden gezien, daar waar in dit exploit is vermeld: "de rechtspersoon HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS , gevestigd en kantoorhoudende te Heerlen ", dient te worden gelezen: "de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting: STICHTING PENSIOENFONDS ABP , statutair gevestigd te Heerlen ."
Gelet op dit een en ander moet het voor ABP die op de cassatiedagvaarding is verschenen, van meet af aan duidelijk zijn geweest dat het feit dat in deze dagvaarding degene die werd gedagvaard, werd aangeduid als het Algemeen burgerlijk pensioenfonds , op een vergissing berustte en dat met deze aanduiding niet haar rechtsvoorgangster, maar zij zelf werd bedoeld. Onder deze omstandigheden kan ABP niet aan [eiseres] tegenwerpen dat zij het oude Algemeen burgerlijk pensioenfonds en niet de nieuwe Stichting Pensioenfonds ABP in de cassatieprocedure heeft betrokken.
Het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat [eiseres] ontvankelijk is in haar beroep in cassatie.
2.
Uitgangspunt moet zijn dat [eiseres] wist dat [a-straat] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet een drukke winkelstraat was en daardoor ongeschikt voor een juweliersbedrijf was. Voor toepassing van art. 6:258 BW Pro is hier enkel plaats indien [eiseres] redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat daarin op korte termijn verandering zou komen, dat wil zeggen dat [a-straat] zich binnen afzienbare tijd zou ontwikkelen tot een drukke, voor de vestiging van een dergelijk bedrijf wel geschikte winkelstraat. Terzake rustte een onderzoeksplicht op [eiseres] . Bij beantwoording van de vraag of [eiseres] redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat [a-straat] binnen afzienbare tijd geschikt zou zijn voor haar bedrijf, valt in aanmerking te nemen dat [eiseres] zich alvorens de overeenkomst aan te gaan terdege van de situatie ter plaatse had vergewist en dat mededelingen van het voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds optredende makelaarskantoor niet zodanig concreet waren dat [eiseres] daaraan meer dan een beperkte betekenis had mogen toekennen. Alle terzake over en weer gestelde omstandigheden in aanmerking genomen, moet worden geconcludeerd dat [eiseres] niet redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat [a-straat] binnen afzienbare tijd geschikt zou zijn voor haar bedrijf.
Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie verder niet op juistheid kunnen worden getoetst. Onbegrijpelijk zijn zij niet en zij zijn van een afdoende motivering voorzien. Daarop stuit middel II geheel af.
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van ABP begroot op ƒ 5.607,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
20 februari 1998.