Uitspraak
20 februari 1998.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser vergoeding van schade wegens onrechtmatig handelen van de Staat door het niet tijdig vernietigen van voorlopige aanslagen en het niet terugbetalen van betaalde bedragen. De voorlopige aanslagen waren opgelegd door de Inspecteur, maar de termijn voor het opleggen van definitieve aanslagen was verstreken zonder dat deze waren opgelegd.
De rechtbank en het hof wezen de vordering af, waarbij het hof oordeelde dat hoewel de voorlopige aanslagen onrechtmatig waren, dit niet automatisch schuld van de Staat impliceerde. Het hof nam in aanmerking dat de bezwaarfase bedoeld is voor heroverweging en dat tot het arrest van 16 oktober 1991 redelijkerwijs kon worden verdedigd dat vernietiging van voorlopige aanslagen niet verplicht was.
De Hoge Raad stelt echter dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de beschikkingen van 10 februari 1987 formele rechtskracht bezitten en dat het hof de beschikkingen terecht als onrechtmatig heeft aangemerkt. Tevens overweegt de Hoge Raad dat onrechtmatig handelen van een bestuursorgaan in de bezwaarfase kan worden toegerekend aan het overheidslichaam, zeker wanneer het primaire besluit berust op een onjuiste wetsuitleg.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing. Het incidentele beroep van de Staat wordt verworpen. De Staat wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling waarbij de Staat aansprakelijk wordt gehouden voor onrechtmatig handelen.