Uitspraak
3 april 1998.
Hoge Raad
In deze civiele zaak vorderde eiser scheiding en deling van activa en verantwoording van beheer van een veehandelscombinatie. De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Het hof bekrachtigde dit vonnis en veroordeelde eiser eveneens in de proceskosten, waarbij het een hoger bedrag aan salaris procureur toekende dan het liquidatietarief voor zaken van onbepaalde waarde voorschrijft.
Eiser stelde in cassatie uitsluitend bezwaar tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling, stellende dat het hof het liquidatietarief had moeten volgen. De Hoge Raad overwoog dat de begroting van proceskosten een feitelijke beslissing is die geen motivering behoeft en dat het liquidatietarief slechts een niet-bindende richtlijn is, geen recht in de zin van art. 99 Wet Pro RO.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof op basis van de bewerkelijkheid van de procedure en omvang van de aanspraken mocht afwijken van het liquidatietarief. Er was geen sprake van een misslag of onbegrijpelijkheid in de beslissing van het hof. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.