Uitspraak
15 mei 1998.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de kwalificatie en ontbinding van een overeenkomst gesloten op 16 november 1970, waarbij eiser een pand in bruikleen zou hebben gekregen. Verweerders stelden wanprestatie door eiser en vorderden ontbinding, ontruiming en schadevergoeding. De rechtbank kwalificeerde de overeenkomst als huurovereenkomst en ontbond deze, met veroordeling tot ontruiming en schadevergoeding.
Het hof bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de wanprestatie van eiser zo ernstig was dat ontbinding gerechtvaardigd was. Eiser stelde in cassatie dat de vordering niet op een andere rechtsverhouding dan die door hem gesteld mocht worden toegewezen, maar de Hoge Raad verwierp dit en benadrukte de ambtshalve onderzoeksplicht van de rechter.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de ontbinding en ontruiming terecht waren uitgesproken. Tevens werd eiser veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is de ontbinding van de huurovereenkomst definitief en de ontruiming en schadevergoeding bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie met ontruiming en schadevergoeding.