Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 21 juni 1996 betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Amsterdam.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg op 27 oktober 1993 een naheffingsaanslag opgelegd door de gemeente Amsterdam voor parkeerbelasting, bestaande uit een belastingbedrag en kosten voor het opleggen van de aanslag. Bij bezwaar werd belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, waarna hij in beroep ging bij het Hof Amsterdam. Het Hof vernietigde de eerdere beslissing, verklaarde belanghebbende ontvankelijk en handhaafde de naheffingsaanslag inclusief de kostenraming.
In cassatie richtte belanghebbende zich tegen de hoogte en de rechtmatigheid van de kostenraming, stellende dat deze ondeugdelijk was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de kostenraming uitsluitend bestond uit wettelijk toegestane kosten zoals vermeld in artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen 1993, en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat andere kosten waren opgenomen.
De Hoge Raad bevestigde dat het Hof de bewijslast correct had verdeeld en dat de waardering van de bewijsmiddelen niet onjuist was. Ook werd vastgesteld dat de geraamde kosten niet hoger waren dan het maximum volgens het Besluit en dat de werkelijke kosten de raming achteraf overtroffen. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het Hof Amsterdam in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de kostenraming in de naheffingsaanslag parkeerbelasting.