Uitspraak
[woonplaats].
24 maart 1998.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van dwang in de zin van art. 242 Sr Pro bij een vermeende verkrachting waarbij het slachtoffer (half) in slaap was en door misleiding van de verdachte handelingen toeliet. De verdachte werd door het hof vrijgesproken omdat niet bewezen kon worden dat hij het slachtoffer tot het ondergaan van seksuele handelingen tegen haar wil had gedwongen.
De tenlastelegging betrof het seksueel binnendringen van het slachtoffer door de verdachte die zich voordeed als haar partner terwijl zij in slaaptoestand verkeerde. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de verdachte niet voldeden aan het vereiste van dwang zoals bedoeld in art. 242 Sr Pro, waarbij dwang inhoudt dat het slachtoffer door lichamelijke of psychische druk tot capitulatie is gebracht.
De Hoge Raad toetste de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de Procureur-Generaal en concludeerde dat het hof niet van de grondslag van de tenlastelegging was afgeweken en dat de vrijspraak niet op een andere dan toegestane grond was gebaseerd. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard en bleef de vrijspraak in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt de vrijspraak wegens ontbreken van dwang.