ECLI:NL:HR:1998:ZD1016
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Hermans
- raadsheer Bleichrodt
- raadsheer Corstens
- raadsheer Aaftink
- raadsheer Orie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gevolgen vernietiging strafzaak voor beslissing ontnemingszaak
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam een beslissing van de Arrondissementsrechtbank Utrecht vernietigd en de betrokkene verplicht tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, maar stelde geen middelen van cassatie voor.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft ambtshalve de bestreden uitspraak beoordeeld en geoordeeld dat er geen grond is om het arrest ambtshalve te vernietigen. De Hoge Raad benadrukte dat de betalingsverplichting mede is opgelegd ter ontneming van voordeel dat betrokkene in de hoofdzaak onder 9 bewezenverklaard heeft verkregen, maar dat de vernietiging van het arrest in de hoofdzaak geen gevolgen heeft voor de ontnemingsvordering.
De Hoge Raad verwees naar artikel 557, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat een uitspraak op een vordering tot ontneming pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens geldt op grond van artikel 511i Sv dat de ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de veroordeling in de hoofdzaak achterwege blijft. De Hoge Raad concludeerde dat de bestreden uitspraak rechtmatig is en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontnemingsuitspraak van het Hof.