Uitspraak
[woonplaats].
19 mei 1998.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de teruggave van een motorkruiser die op 9 oktober 1996 onder klager inbeslag was genomen. Klager verzocht de rechtbank om het Openbaar Ministerie te gelasten tot teruggave van het vaartuig, nadat het strafrechtelijk beslag was opgeheven. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege civielrechtelijk beslag door een curator in het faillissement van een derde partij.
De curator stelde dat de motorkruiser onderdeel was van het faillissement en dat klager niet te goeder trouw had gekocht. De Officier van Justitie ondersteunde het standpunt dat de teruggave niet kon plaatsvinden zolang civiel beslag rustte. De rechtbank oordeelde dat het niet redelijk was de motorkruiser terug te geven aan klager of aan de curator vanwege de juridische complexiteit en het risico voor klager.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de rechtbank een onjuiste uitleg had gegeven aan de relevante wetsartikelen, met name artikel 116 lid 1 juncto Pro artikel 552a lid 6 en artikel 119 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en gaf aan dat de bewaarder de motorkruiser aan klager moet teruggeven, met inachtneming van het civiel beslag door derden. De zaak werd zelf afgedaan door de Hoge Raad met een last tot teruggave onder de wettelijke voorwaarden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en beveelt de teruggave van de motorkruiser aan klager met inachtneming van civiel beslag.