ECLI:NL:HR:1999:AA1054

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/094 HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Roelvink
  • raadsheer Neleman
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Van der Putt-Lauwers
  • raadsheer De Savornin Lohman
  • raadsheer Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAMArt. 13 lid 7 WAMArt. 25 WAMArt. 27 lid 1 WAMArt. 269 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bescherming verkeersslachtoffers bij nietigheid WA-verzekering

In deze zaak staat centraal of een verzekeraar zich tegenover benadeelden en het Waarborgfonds kan beroepen op de nietigheid van een WA-verzekering die na een aanrijding met terugwerkende kracht is gesloten. Op 31 mei 1988 vond een aanrijding plaats tussen een personenauto en een bromfiets, waarbij de automobilist aansprakelijk was. Vervolgens sloot de verzekeraar Aegon een WA-verzekering af met ingang van 30 mei 1988, zonder te melden dat de aanrijding al had plaatsgevonden.

Het Waarborgfonds betaalde de schade aan het slachtoffer en het ziekenfonds en vorderde deze bedragen van Aegon. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof wezen de vordering toe. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat op grond van artikel 11 WAM Pro geen beroep op nietigheid van de verzekeringsovereenkomst kan worden gedaan tegenover benadeelden en het Waarborgfonds. Dit beschermt de belangen van verkeersslachtoffers.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van Aegon en benadrukt dat de registratie van de verzekering bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer niet ten onrechte is geschied, omdat de bescherming van benadeelden anders zou worden ondermijnd. Aegon wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat Aegon zich niet kan beroepen op nietigheid van de WA-verzekering tegenover het Waarborgfonds.

Uitspraak

Arrest
in de zaak van:
AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr R.V. Kist,
t e g e n
de stichting WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,
gevestigd te Rijswijk,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr E. Grabandt.
1.Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: het Waarborg-fonds - heeft bij exploit van 24 mei 1995 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Aegon - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd Aegon te veroor-delen om aan het Waarborgfonds te betalen een bedrag van ƒ 48.912,82, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 1991, althans het tijdstip waarop het Waarborgfonds de bedragen aan het slachtoffer heeft betaald, althans vanaf de dag van deze dagvaarding.
Aegon heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 maart 1996 de vorde-ring toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft Aegon hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 16 december 1997 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2.Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Aegon beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Waarborgfonds heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van Aegon in de kosten.
3.Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 31 mei 1988 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een personenauto bestuurd door [bestuurder 1] en een bromfiets bestuurd door [bestuurder 2]. De aanrijding was te wijten aan [bestuurder 1].
(ii) [bestuurder 1] heeft vervolgens bij Aegon een WA-verzekering aangevraagd voor deze auto ingaande op 30 mei 1988, zonder mee te delen dat de aanrijding had plaatsgevonden. Aegon heeft de aanvraag geaccepteerd.
(iii) Aan Aegon komt ingevolge art. 269 K jegens [bestuurder 1] een beroep op nietigheid van de verzekering toe.
(iv) Aegon heeft aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer kennis gegeven van het sluiten van de verzekering onder vermelding van 30 mei 1988 als ingangsdatum.
(v) [bestuurder 2] heeft ter zake van de aanrijding het Waarborgfonds aangesproken op grond van art. 25 WAM Pro. Het Waarborgfonds heeft haar een bedrag van ƒ 37.171,60 betaald. Daarnaast heeft het aan het Ziekenfonds, waarbij [bestuurder 2] was verzekerd, een bedrag van ƒ11.741,22 voldaan.
3.2 Het Waarborgfonds vordert van Aegon betaling van het ter zake van voormelde aanrijding uitgekeerde bedrag van ƒ 48.912,82. Het heeft daarbij de volgende standpunten ingenomen:
-op grond van het bepaalde in de art. 11 en Pro 27 WAM kan Aegon zich jegens het Waarborgfonds niet op de nietigheid van de verzekering beroepen;
-zoals blijkt uit art. 13 lid 7 WAM Pro mag de benadeelde en dus het Waarborgfonds afgaan op de vermelding in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer; Aegon heeft niet aangetoond dat de registratie ten onrechte is geschied.
De Rechtbank heeft de vordering toegewezen. In hoger be-roep heeft het Hof dit vonnis bekrachtigd. Het heeft geoordeeld: dat art. 269 K een wettelijke bepaling omtrent de verzekeringsovereenkomst is waarop art. 11 WAM Pro ziet, zodat de daaruit voortvloeiende nietigheid niet aan de benadeelde, respectievelijk het Waarborgfonds kan worden tegengeworpen, en dat niet valt in te zien waarom aan het Waarborgfonds - dat tot uitkering aan de benadeelde is overgegaan nadat deze tevergeefs bij Aegon had aangeklopt – geen verhaalsrecht op grond van art. 27 lid 1 WAM Pro zou toekomen (rov. 5); dat het begrip “een ten onrechte geschiede registratie” in de zin van art. 13 lid 7 WAM Pro niet ziet op een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een achteraf nietig blijkende verzekeringsovereenk-omst, daar dit niet te rijmen zou zijn met de – de benadeelde – beschermende werking van art. 11 WAM Pro (rov. 6).
3.3 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen ’s Hofs oordeel dat art. 269 K een wettelijke bepaling omtrent de verzekeringsovereenkomst is, waarop art. 11 WAM Pro ziet (rov. 5). Het onderdeel, zoals toegelicht, strekt ten betoge dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat in een geval als het onderhavige aan de verzekeraar tegen-over de benadeelde en het Waarborgfonds een beroep op de nietigheid van de na de gebeurtenis totstandgekomen ver-zekeringsovereenkomst toekomt, omdat ten tijde van de aanrijding met betrekking tot het daarbij betrokken motorrijtuig in het geheel geen verzekering als bedoeld in de WAM bestond en zo een overeenkomst ook niet geregistreerd was; dat de benadeelde in beginsel ingevolge art. 25 WAM Pro tegen het Waarborgfonds een recht op schadevergoe-ding geldend kan maken, doch dat, nu de verplichting tot verzekering niet is nagekomen, het Waarborgfonds geen verhaal heeft op de verzekeraar.
Dat betoog kan niet als juist worden aanvaard. De WAM beoogt met de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen vóór alles de belangen van verkeersslachtoffers te waarborgen. Met het oog daarop is in art. 11 WAM Pro bepaald dat geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door een verzekeraar aan een benadeelde kan worden tegengeworpen. Gelet op dit een en ander valt niet in te zien waarom de in de verhouding tussen de verzekerde en de verzekeraar gelegen nietigheidsgrond van art. 269 K niet ook onder het in art. 11 WAM Pro bepaalde zou vallen. Aegon, die een dekking met terugwerkende kracht heeft afgegeven en die overeenkomst heeft doen registreren, had, gezien het bepaalde in art. 11 WAM Pro, op eventuele aanspraken van benadeelden bedacht moeten zijn.
3.4 Onderdeel 2, dat een subsidiair karakter heeft, be-strijdt ’s Hofs rov. 6. Het stelt dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een registratie “die ten onrechte is geschied” als bedoeld in art. 13 lid 7 WAM Pro, omdat ten tijde van de aanrijding geen verzekering was geregistreerd en bovendien geen verzekering bestond.
Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot onderdeel 1 is overwogen volgt reeds dat die stelling niet juist is. Indien de verzekeraar jegens de benadeelde geen beroep kan doen op de uit art. 269 K voortvloeiende nietigheid, kan de registratie van de betrokken overeenkomst niet als “ten onrechte geschied” worden bestempeld. De bescherming die art. 11 WAM Pro aan benadeelden geeft, zou dan immers geen effect sorteren.
Onderdeel 3 behoeft na hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling meer.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Waarborg-fonds begroot op ƒ 1.327,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 19 november 1999.