ECLI:NL:HR:1999:AA2617
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwezigheid kettingbeding in naheffingsaanslag omzetbelasting
Belanghebbende, B.V. X, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1987-1989, die na bezwaar deels werd verminderd. Na eerdere procedures bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad werd de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem, dat de vermindering van de aanslag handhaafde.
In het cassatieberoep betoogde B.V. X dat er sprake was van een kettingbeding of een andere verplichting tot verhuur van de woningen, wat het naheffingsaanslagbedrag zou beïnvloeden. Het Hof oordeelde echter dat niet was komen vast te staan dat een dergelijk kettingbeding contractueel was vastgelegd of bestond. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de motiveringsklacht dat het ontbreken van een schriftelijk kettingbeding niet zonder nadere motivering tot de conclusie kon leiden dat er geen verhuurverplichting was.
Daarnaast stelde het Hof vast dat de situatie van B.V. X niet vergelijkbaar was met die van een andere partij (A B.V.) waar wel een kettingbeding gold. De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat dit betwistte niet tot cassatie kon leiden. De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Het arrest werd uitgesproken op 10 november 1999 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarmee de uitspraak van het Hof Arnhem definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen kettingbeding of verhuurverplichting bestond, waardoor de naheffingsaanslag omzetbelasting gehandhaafd blijft.