ECLI:NL:HR:1999:AA2617

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34923
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • De Moor
  • Van Vliet
  • Hammerstein
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de omzetbelasting 1968 Art. 8 (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwezigheid kettingbeding in naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende, B.V. X, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1987-1989, die na bezwaar deels werd verminderd. Na eerdere procedures bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad werd de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem, dat de vermindering van de aanslag handhaafde.

In het cassatieberoep betoogde B.V. X dat er sprake was van een kettingbeding of een andere verplichting tot verhuur van de woningen, wat het naheffingsaanslagbedrag zou beïnvloeden. Het Hof oordeelde echter dat niet was komen vast te staan dat een dergelijk kettingbeding contractueel was vastgelegd of bestond. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de motiveringsklacht dat het ontbreken van een schriftelijk kettingbeding niet zonder nadere motivering tot de conclusie kon leiden dat er geen verhuurverplichting was.

Daarnaast stelde het Hof vast dat de situatie van B.V. X niet vergelijkbaar was met die van een andere partij (A B.V.) waar wel een kettingbeding gold. De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat dit betwistte niet tot cassatie kon leiden. De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Het arrest werd uitgesproken op 10 november 1999 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarmee de uitspraak van het Hof Arnhem definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen kettingbeding of verhuurverplichting bestond, waardoor de naheffingsaanslag omzetbelasting gehandhaafd blijft.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 oktober 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 619.345,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Inspecteur heeft op 25 maart 1993 de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 519.350,--.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De uitspraak van dit hof van 18 april 1996 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 27 augustus 1997, nr. 32376, BNB 1998/33, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de bestreden uitspraak vernietigd, en de naheffingsaanslag zoals deze bij ambtshalve genomen beschikking is verminderd, gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
4. Beoordeling van de middelen van cassatie
4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat niet is komen vast te staan dat voor het project van belanghebbende door middel van een kettingbeding of anderszins een verplichting tot verhuur gold. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op de omstandigheid dat door belanghebbende is erkend dat in de overeenkomst die zij met de gemeente Q had gesloten geen sprake is van een contractueel vastgelegd kettingbeding en dat omtrent de volgens belanghebbende bij partijen bestaande bedoeling dat zulk een beding wel zou gelden niets naders door belanghebbende is gesteld. Tegen dit oordeel keert zich het middel onder a met een motiveringsklacht, te weten dat uit het ontbreken van een schriftelijk vastgelegd kettingbeding zonder nadere motivering niet afgeleid kan worden dat bij kopers in het geheel geen verplichting tot verhuur bestond. Het middel herhaalt voorts de voor het Hof te berde gebrachte stellingen die ertoe strekken dat in feite sprake is van een kettingbeding: dat belanghebbende de mogelijkheid had om op grond van onrechtmatige daad (het profiteren van andermans wanprestatie) de schade bij de koper te incasseren; dat er commerciële gebondenheid bestond van de opvolgende verkrijger jegens de gemeente Q en andere gemeenten; dat bij de verkoop van woningen in 1991 aan Stichting B alle contractuele bepalingen inclusief het beding inzake de verhuurverplichting zijn overgegaan.
De voorgedragen stellingen nopen niet tot de gevolgtrekking dat verkoop door belanghebbende van de onderhavige woningen slechts kon geschieden onder aanvaarding of overname door de koper van de verplichting de bestemming als huurwoning te continueren. De motiveringsklacht faalt derhalve.
4.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de woningen van belanghebbende en die van A B.V., nu voor de laatste een kettingbeding bestond en voor de eerste niet, op dit punt niet soortgelijk zijn. Gelet op het hiervóór in 4.1 overwogene kan het middel onder b, dat bestrijdt dat voor de woningen van belanghebbende geen kettingbeding of anderszins een verplichting tot verhuur gold, niet tot cassatie leiden. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 november 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Vliet, Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Huijgevoort, en op die datum in het openbaar uitgesproken.gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 oktober 1998 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 619.345,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Inspecteur heeft op 25 maart 1993 de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 519.350,--.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De uitspraak van dit hof van 18 april 1996 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 27 augustus 1997, nr. 32376, BNB 1998/33, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de bestreden uitspraak vernietigd, en de naheffingsaanslag zoals deze bij ambtshalve genomen beschikking is verminderd, gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
4. Beoordeling van de middelen van cassatie
4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat niet is komen vast te staan dat voor het project van belanghebbende door middel van een kettingbeding of anderszins een verplichting tot verhuur gold. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op de omstandigheid dat door belanghebbende is erkend dat in de overeenkomst die zij met de gemeente Q had gesloten geen sprake is van een contractueel vastgelegd kettingbeding en dat omtrent de volgens belanghebbende bij partijen bestaande bedoeling dat zulk een beding wel zou gelden niets naders door belanghebbende is gesteld. Tegen dit oordeel keert zich het middel onder a met een motiveringsklacht, te weten dat uit het ontbreken van een schriftelijk vastgelegd kettingbeding zonder nadere motivering niet afgeleid kan worden dat bij kopers in het geheel geen verplichting tot verhuur bestond. Het middel herhaalt voorts de voor het Hof te berde gebrachte stellingen die ertoe strekken dat in feite sprake is van een kettingbeding: dat belanghebbende de mogelijkheid had om op grond van onrechtmatige daad (het profiteren van andermans wanprestatie) de schade bij de koper te incasseren; dat er commerciële gebondenheid bestond van de opvolgende verkrijger jegens de gemeente Q en andere gemeenten; dat bij de verkoop van woningen in 1991 aan Stichting B alle contractuele bepalingen inclusief het beding inzake de verhuurverplichting zijn overgegaan.
De voorgedragen stellingen nopen niet tot de gevolgtrekking dat verkoop door belanghebbende van de onderhavige woningen slechts kon geschieden onder aanvaarding of overname door de koper van de verplichting de bestemming als huurwoning te continueren. De motiveringsklacht faalt derhalve.
4.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de woningen van belanghebbende en die van A B.V., nu voor de laatste een kettingbeding bestond en voor de eerste niet, op dit punt niet soortgelijk zijn. Gelet op het hiervóór in 4.1 overwogene kan het middel onder b, dat bestrijdt dat voor de woningen van belanghebbende geen kettingbeding of anderszins een verplichting tot verhuur gold, niet tot cassatie leiden. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 november 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Vliet, Hammerstein en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Huijgevoort, en op die datum in het openbaar uitgesproken.