ECLI:NL:HR:1999:AA2627

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34237
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Brunschot
  • Hammerstein
  • Van Amersfoort
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet Belastingherziening 1950Artikel III, onderdeel B, Wet van 12 december 1991Artikel 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing overgangsregeling vrijstelling vennootschapsbelasting voor woningen in aanbouw

In deze zaak stond centraal of de besloten vennootschap X B.V. recht had op een vrijstelling in de vennootschapsbelasting op grond van een overgangsregeling uit de Wet van 12 december 1991. De zaak betrof woningen die op 31 december 1991 in aanbouw waren en waarvoor bouwvergunningen en toelatingen tot subsidies waren verleend.

De rechtbank had de aanslag verminderd tot nihil, maar de Staatssecretaris tekende beroep aan. Het Hof oordeelde dat de woningen in aanbouw als reeds verkregen moesten worden beschouwd voor toepassing van de overgangsregeling, waardoor de vrijstelling van toepassing bleef.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris. De Raad stelde vast dat de voorwaarden van de overgangsregeling niet vereisten dat de woningen volledig waren verkregen op 31 december 1991, maar dat de voortgang van de bouw voldoende was. De Hoge Raad wees ook het argument af dat de uitzondering van toepassing was omdat de woningen in 1992 werden voltooid.

De Hoge Raad besloot dat de aanslag terecht was verminderd en dat de vrijstelling van toepassing bleef. Er werden geen proceskosten aan de Staat opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vrijstelling vennootschapsbelasting op woningen in aanbouw van toepassing blijft.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 februari 1998 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 65.940,--.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is opgericht op 28 juni 1991 en heeft ten doel de verkrijging, het beheer en de vervreemding van na 1 juli 1945 met subsidie gebouwde woningen en het deelnemen in en de directie voeren over andere ondernemingen met gelijk of aanverwant doel. Bij voorlopige koopovereenkomsten van 21 juni 1991 en 27 juni 1991 kocht belanghebbende bouwgrond voor een tweetal projecten waarvoor belanghebbende, bij beschikkingen van 25 oktober 1991, als bouwgegadigde is toegelaten tot de Beschikking bijdrage ineens nieuwe vrije sectorwoningen. Een van de voorwaarden voor de toelating was dat de bouw binnen zes maanden na de toelating zou zijn gevorderd tot de bovenkant van de begane-grondvloer. De bouw van de woningen is gestart op 14 november 1991 en was op 28 januari 1992 gevorderd tot de bovenkant van de begane-grondvloer.
3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende, gelet op de overgangsregeling van artikel III, onderdeel B, van de Wet van 12 december 1991, Stb. 697, nog recht heeft op de vrijstelling die was vervat in artikel 10 van Pro de Wet Belastingherziening 1950 (hierna: Wet Bhz. 1950).
3.3. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat hetgeen in artikel 10, lid 2, van de Wet Bhz. 1950 is opgenomen met betrekking tot het aantal tot het vermogen behorende woningen niet een voorwaarde is als bedoeld in de hiervóór onder 3.2 genoemde overgangsregeling. Dat oordeel is echter juist, zodat het middel faalt.
3.4. In het tweede middel stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat in het onderhavige geval de uitzondering van artikel III, onderdeel B.2.b, van de Wet van 12 december 1991, Stb. 697, van toepassing is nu belanghebbende bij de voltooiing van de woningen in 1992 deze woningen heeft verkregen. ’s Hofs oordeel, inhoudende dat een redelijke toepassing van de overgangsregeling meebrengt dat de op 31 december 1991 in aanbouw zijnde woningen worden aangemerkt als reeds op die datum verkregen woningen, is echter juist. Het tweede middel faalt derhalve ook.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 17 november 1999 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.