ECLI:NL:HR:1999:AA2634

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
321
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Algemene BijstandswetArt. 44 Algemene BijstandswetArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel over gezamenlijke huishouding in bijstandsuitkering

X verzocht om een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet, welke door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzing door de Arrondissementsrechtbank, bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing.

X stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat X en A in de periode van 27 augustus 1993 tot en met 18 oktober 1993 een gezamenlijke huishouding voerden zoals bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (tekst tot 1 januari 1996). Dit oordeel werd niet onjuist bevonden en de cassatoire toetsing is beperkt volgens artikel 44 van Pro de Algemene Bijstandswet.

De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding tot toewijzing van proceskosten. Het arrest werd op 3 februari 1999 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Pos, Beukenhorst en Monné.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X wordt verworpen en de afwijzing van de bijstandsuitkering bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 oktober 1997, betreffende de afwijzing van het verzoek van X om toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet.
1. Beschikking, bezwaar en beroep 1.1. Bij beschikking, gedagtekend 18 oktober 1993, heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: Burgemeester en wethouders) het verzoek van X om toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW) afgewezen. 1.2. Burgemeester en wethouders hebben het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar bij beslissing op bezwaarschrift van 28 januari 1994 ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze laatste beslissing heeft X beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank sector Bestuursrecht te Amsterdam (hierna: de Arrondissements rechtbank), die het beroep bij uitspraak van 4 maart 1996 ongegrond heeft verklaard.
2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep 2.1. X heeft tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 2.2. De Centrale Raad van Beroep heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie X heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Na de - tijdige - aanvulling van het beroepschrift in cassatie bij zijn op 6 maart 1998 ter griffie ontvangen brief heeft X op 7 oktober 1998 nog een aantal geschriften ingediend. Op die laatste stukken kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stukken in te dienen.
4. Beoordeling van de klachten De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van de feiten, vermeld op de bladzijden 1, 2 en 3 van zijn uitspraak, geoordeeld dat X in de periode 27 augustus 1993 tot en met 18 oktober 1993 met A een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (tekst tot 1 januari 1996). De klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het begrip gezamenlijke huishouding in evenbedoelde zin en de toetsing in cassatie op grond van artikel 44 van Pro de vermelde wet daartoe beperkt moet blijven.
5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 3 februari 1999 vastgesteld door de raadsheer Pos als voorzitter, en de raadsheren Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.