ECLI:NL:HR:1999:AA2643
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Zuurmond
- Fleers
- Pos
- Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongelijke fiscale behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden bij aftrek levensonderhoud
Belanghebbende had voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd gekregen op een belastbaar inkomen van f 115.049,--. Hij maakte bezwaar tegen de afwijzing van een aftrekpost van f 2.153,-- die hij had uitgegeven ter voorziening in het levensonderhoud van de broer van zijn vaste partner. De Inspecteur en het Hof stelden dat deze uitgave niet als buitengewone last kon worden aangemerkt omdat de broer geen aanverwant was in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat deze toepassing van de wet onverenigbaar was met het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro, omdat gehuwden en ongehuwd samenwonenden fiscaal ongelijk werden behandeld. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever het onderscheid op redelijke gronden had gemaakt, namelijk dat alleen uitgaven aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn als onontkoombaar worden beschouwd.
De Hoge Raad concludeerde dat het verschil in behandeling niet in strijd is met internationale verdragsbepalingen en dat het Hof terecht de vaste partnerrelatie als feit had aangenomen. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de uitgaven niet als buitengewone last aftrekbaar zijn.