ECLI:NL:HR:1999:AA2654

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
33932
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • Zuurmond
  • Fleers
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek giften voor religieuze uitgaven zonder aanwijsbare bevoordeelde

In deze zaak is aan erflaatster voor 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, die na bezwaar en beroep bij het Hof is gehandhaafd op een belastbaar inkomen van f 94.379,--. De erfgenamen stelden in cassatie dat bepaalde uitgaven voor religieuze diensten thuis als aftrekbare giften moesten worden aangemerkt.

De Hoge Raad overweegt dat deze uitgaven niet gericht waren op een materiële bevoordeling uit vrijgevigheid van een aanwijsbare ontvanger, zoals vereist voor giftenaftrek op grond van artikel 47 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het hof heeft dit oordeel als feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld, en de Hoge Raad ziet geen reden dit te herzien.

Verder wijst de Hoge Raad het argument af dat de vermogensvermindering door religieuze belijdenis automatisch aftrekbaar zou zijn. Ook het verweer dat het hof buiten de rechtsstrijd trad, wordt verworpen omdat het hof juist de relevante feiten heeft betrokken.

Een beroep op ongelijke behandeling door andere belastingdiensten wordt niet in behandeling genomen omdat dit een feitelijke beoordeling vergt die in cassatie niet mogelijk is.

De Hoge Raad concludeert dat de uitgaven niet als giften aftrekbaar zijn, ongeacht de aard van de religieuze instelling, en verwerpt het cassatieberoep. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de uitgaven voor religieuze diensten thuis niet als aftrekbare giften gelden.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van X gewoond hebbende te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 november 1997 betreffende de aan erflaatster voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan erflaatster is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak door de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 94.379,--. Erflaatster is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Erflaatster, behorende tot de surinaams- hindoestaanse gemeenschap in Nederland, heeft in 1993 een aantal religieuze diensten bij zich thuis georganiseerd. Ten behoeve van deze diensten heeft zij bepaalde, in 's Hofs uitspraak onder 3.2 en 3.3 nader aangeduide uitgaven, kort gezegd voor maaltijden, bloemen en offerandes, gedaan, die zij op grond van artikel 47 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in aftrek wenst te brengen als giften. 3.2. Het eerste en tweede onderdeel van het middel richten zich tegen het oordeel van het Hof dat de in 3.1. bedoelde uitgaven niet zijn aan te merken als giften in de zin van artikel 47 van Pro de Wet. Het oordeel van het Hof, dat erop neerkomt dat de uitgaven niet hebben gestrekt tot een bevoordeling -in materiële zin- uit vrijgevigheid van een aanwijsbare bevoordeelde, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Aan dit oordeel heeft het Hof terecht de gevolgtrekking verbonden dat de bedoelde uitgaven niet zijn aan te merken als giften in de zin van artikel 47 van Pro de Wet. De in de onderdelen verdedigde opvatting dat de onderhavige vermogensvermindering tot de aftrekbare giften moet worden gerekend omdat de belijdenis van de religie tot die vermindering heeft geleid, kan niet als juist worden aanvaard. 3.3. De voorts in de onderdelen vervatte klacht dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat de in geschil zijnde uitgaven niet zijn gedaan in het kader van de kerkdiensten thuis, mist feitelijke grondslag omdat het Hof daarvan juist wel is uitgegaan. Ook in zoverre falen de onderdelen. 3.4. In het derde onderdeel van het middel wordt een beroep gedaan op de behandeling van vergelijkbare gevallen bij andere eenheden van de Belastingdienst. In zoverre berust het middel op feiten, waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, zodat daarop geen acht kan worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie de mogelijkheid ontbreekt. 3.5. Bij de beoordeling van het overigens in onderdeel 3 en in onderdeel 4 gestelde wordt vooropgesteld dat in artikel 47 van Pro de Wet geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard van de kerkelijke of levensbeschouwelijke instellingen als bedoeld in lid 1, letter a, onder 1o van dat artikel. Anders dan in het middel wordt verondersteld, zijn uitgaven als de onderhavige ten aanzien waarvan naar 's Hofs vaststelling niet een uit vrijgevigheid bevoordeelde ontvanger kan worden aangewezen, ook bij religies die wel in het kader van een kerkelijke instelling worden beleden, niet als gift in de zin van artikel 47 van Pro de Wet aftrekbaar. Het Hof heeft dan ook in het midden mogen laten of, indien behoudens het bestaan van een instelling in de zin van dat artikel, aan de voorwaarden van artikel 47 zou Pro zijn voldaan, sprake zou zijn van een door artikel 26 van Pro het IVBPR niet toegelaten onderscheid. Ook in zoverre worden de onderdelen tevergeefs voorgesteld.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 januari 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordig- heid van de waarnemend griffier Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.