ECLI:NL:HR:1999:AA2657
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijstelling accijns voor vruchtesappen bestemd als aanvulling op kindervoeding
Belanghebbende produceert geconcentreerde vruchtesappen bestemd voor baby's en peuters, die volgens artikel 16 van Pro de Wet op de accijns als vruchtesappen worden aangemerkt. De Staatssecretaris legde een naheffingsaanslag op, die na bezwaar en beroep door het Hof Amsterdam werd verminderd op grond van de vrijstelling in artikel 64, lid 1, letter c, van de Wet voor vruchtesappen bedoeld als aanvulling op kindervoeding.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat deze vrijstelling niet van toepassing is op sappen die zonder meer als zodanig worden gedronken, maar alleen op producten met toegevoegde vitaminen of gezondheidswaarde. De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de parlementaire geschiedenis en de tekst van de wet niet blijkt dat de vrijstelling beperkter is dan voorheen, en dat het Hof de wet juist heeft uitgelegd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat vruchtesappen die kennelijk bestemd zijn om door kinderen te worden genuttigd en die natuurlijke voedingsstoffen bevatten, onder de vrijstelling vallen. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de naheffingsaanslag wordt verminderd conform het arrest van het Hof.