ECLI:NL:HR:1999:AA2673
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Fleers
- Beukenhorst
- Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingaanslag over schadeloosstelling na beëindiging dienstbetrekking
Belanghebbende was van 1976 tot medio 1991 werkzaam in diverse landen voor een Franse vennootschap en bekleedde vanaf 1983 meerdere leidinggevende functies in Nederland. Na ontslag in juli 1991 ontving hij een schadeloosstelling van f 728.970,--, waarvan f 118.000,-- werd belast volgens het bijzondere tarief van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Inspecteur handhaafde de aanslag na bezwaar en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze uitspraak. Belanghebbende stelde in cassatie dat de schadeloosstelling geheel of gedeeltelijk een beloning was voor zijn werkzaamheden als bestuurder van een buitenlands lichaam, maar dit verweer werd niet in het hof ingebracht en kan in cassatie niet worden onderzocht.
Het hof oordeelde dat de schadeloosstelling te ver verwijderd was van de buitenlandse werkzaamheden om als zodanig te worden aangemerkt, en dat de uitkering als inkomsten uit vroegere arbeid moet worden beschouwd. Hierdoor kon geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting worden toegepast op grond van de relevante verdragen met Frankrijk, België en Zweden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees het cassatieberoep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 10 februari 1999 uitgesproken door de genoemde raadsheren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting over de schadeloosstelling.