ECLI:NL:HR:1999:AA2736
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Pos
- Monné
- Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over toepassing artikel 42a Wet IB 1964 op bovenwoning
Belanghebbende, directeur en aandeelhouder van een BV, was eigenaar van twee panden waarin de BV haar bedrijf uitoefende en bewoonde als onderhuurder de bovenwoning. De huurovereenkomsten waren niet schriftelijk vastgelegd maar werden voortgezet na eigendomsoverdracht in 1991.
De kern van het geschil betrof de vraag of artikel 42a, lid 1, Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing was op de bovenwoning. Het hof oordeelde dat de huurovereenkomsten met betrekking tot de bovenwoning geen betekenis hadden omdat zij elkaars spiegelbeeld vormden en belanghebbende het genot van de woning behield.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de huurovereenkomsten slechts schijn waren. Het enkel feit dat belanghebbende eigenaar en onderhuurder was, rechtvaardigt deze conclusie niet, zeker niet omdat de overeenkomsten al bestonden en onveranderd werden voortgezet zonder twijfel aan hun geldigheid.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.