ECLI:NL:HR:1999:AA2737
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Pos
- Beukenhorst
- Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking ondernemingsvrijstelling bij vermogensbelasting 1996
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag vermogensbelasting opgelegd op basis van een vermogen van 3.191.000 gulden. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de aanslag verminderde tot 2.919.000 gulden. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de ondernemingsvrijstelling van artikel 7, lid 3, letter a, Wet op de vermogensbelasting 1964 niet van toepassing is, omdat er geen schuld is ontstaan die direct verband houdt met de overdracht van de onderneming.
Feitelijk had belanghebbende tot 1984 een akkerbouwbedrijf in maatschap met zijn zoon geëxploiteerd. Na ontbinding van de maatschap verpachtte hij de grond aan zijn zoon en verkocht deze in 1994, waarbij de zoon de koopsom nog verschuldigd was. Het Hof heeft de rechtsopvatting van de ondernemingsvrijstelling juist toegepast en waarderingen van feitelijke aard zijn in cassatie niet te toetsen.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en ziet geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten. De uitspraak is op 21 april 1999 in het openbaar uitgesproken door de genoemde raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het Hof dat de ondernemingsvrijstelling niet van toepassing is.