ECLI:NL:HR:1999:AA2750
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt juiste toepassing korting ouderdomspensioen Algemene Ouderdomswet
Belanghebbende, geboren in 1924, kreeg met ingang van 1 september 1989 een ouderdomspensioen toegekend waarop een korting van 40% werd toegepast vanwege een niet-verzekerde periode van circa 20 jaar tussen 1957 en 1977. De Rechtbank verklaarde het bezwaar van belanghebbende gegrond en vernietigde het besluit, waarna het Bestuur hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In cassatie stelde belanghebbende meerdere klachten aan de orde, waaronder dat de Centrale Raad het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht had geschonden en dat de feiten omtrent het woon- en verzekeringsverleden onjuist waren beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet slaagden, mede omdat tegen de uitspraak van de Centrale Raad uitsluitend cassatie mogelijk is wegens schending van specifieke bepalingen van de Algemene Ouderdomswet.
De Centrale Raad had geoordeeld dat belanghebbende in de periode van 25 februari 1957 tot 1 juni 1977 niet in Nederland woonde en daarom niet als verzekerd kon worden aangemerkt. Dit oordeel was niet onjuist en berustte op een juiste interpretatie van de relevante wetsartikelen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de juiste toepassing van de korting op het ouderdomspensioen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 28 april 1999 door de Hoge Raad vastgesteld en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de korting op het ouderdomspensioen als rechtmatig.